Mozes naderde tot God:
Ex
19:1-25
God wilde dat het huis Jakobs stilstond bij het feit dat Hij hun vijand
had verslagen, en dat Hij hen op arendsvleugelen had gedragen en hen tot
Zichzelf had gebracht
Deu 32:11 Als een arend, die zijn broedsel opwekt, over zijn jongen
zweeft, zijn wieken uitspreidt, er een opneemt en draagt op zijn
vlerken,
Een arend leert zijn jong om te vliegen.
Een arend spreidt zijn vleugels uit over het jong om het te beschermen
en warmte te geven.
Een arend spreidt zijn vleugels om het jong te dragen wanneer het
vermoeid is.
- God had omgekeken naar hun ellendige toestand en had hen verlost
- Zijn hulp was krachtig, beschermend en alles voorzienend.
Zij die verlossing hadden gekregen moesten Gods wetten navolgen! Vb
liefhebben van partner.
Ken jij God? Heb jij God lief? Is
Gods liefde in jouw volmaakt? 1 Joh 2:3-6
Joh 14:21 Wie mijn geboden heeft en ze
bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal
geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan
hem openbaren.
Exo 19:5 Nu dan, indien gij aandachtig naar
Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij
ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij.
Exo 19:6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig
volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israelieten spreken zult.
God wilde met hun een welbepaalde relatie aangaan, Hij wilde hen in een
hechte relatie met Zichzelf plaatsen.
Exo 19:8 En het gehele volk antwoordde
eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes
bracht de woorden van het volk weder aan de Here over.
vgl Deu 5:27-29 Nader gij en hoor
alles wat de Here, onze God, zegt, en breng gij dan alles aan ons over
wat de Here, onze God, tot u spreekt; dan zullen wij het horen en doen.
Toen de Here uw woorden hoorde, terwijl gij tot mij spraakt, zeide de
Here tot mij: Ik heb de woorden van dit volk gehoord, die zij tot u
spraken; het is goed, alles wat zij gezegd hebben. Och, hadden zij
steeds zulk een hart om Mij te vrezen en om al mijn geboden te
onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altoos wel mocht gaan!
Deu 5:32-33 Onderhoudt ze naarstig, zoals de
Here, uw God, u geboden heeft; wijkt niet af, naar rechts noch naar
links. Heel de weg, die de Here, uw God, u geboden heeft, zult gij gaan,
opdat gij leeft en het u wel ga en gij lang woont in het land, dat gij
in bezit zult nemen.
God daalde neer voor de ogen van het hele volk op de berg Sinaï.
- niemand mocht de berg aanraken, wanneer nog maar een voet, hand van
mens of dier de berg zou aanraken, die zou sterven.
- ze moesten hun klederen wassen
- ze mochten niet tot een vrouw naderen
Allen moesten tot God naderen
met:
- nederigheid, niet met de geest van een farizeër
- eerbied, een hart vol vrees voor zijn heiligheid
- een zuiver geweten, een geweten dat gereinigd is van zonde
Gods verschijning:
- donderslagen en bliksemstralen
- een zware wolk
- zeer sterk bazuingeschal
- de berg stond geheel in rook omdat de Here daarop nederdaalde in vuur
- de berg laaide van vuur tot in het hart van de hemel (Deut 4:11)
- de rook steeg op als de rook van een oven
- de gehele berg beefde zeer
vb de mens wordt stil wanneer een grote kracht wordt tentoongesteld –
vgl kind bliksem,
vgl vader die kind straft: 1. Als dan, na ongehoorzaamheid
Ex 20:18-21
Vreest niet, opdat gij zou vrezen
Hij die vreest in de eerste zin (terreur, verwarring), zo iemand kan
niet liefhebben noch gehoorzamen
Hij die niet vreest in de tweede zin zal vallen onder de verleidingen
die er komen
- Deu 4:10 De dag, waarop gij voor het
aangezicht van de Here, uw God, bij Horeb stondt, toen de Here tot mij
zeide: roep Mij het volk samen, dan zal Ik het mijn woorden doen horen,
opdat zij leren Mij te vrezen alle dagen, dat zij op de aardbodem leven,
en opdat zij het hun kinderen leren.
- Spr 3:7 Wees niet wijs in eigen
ogen, vrees de Here en wijk van het kwaad;
- Spr 1:7 De vreze des Heren is het begin
der kennis; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
Wat was de bedoeling van Gods
verschijning?
God had hen iets te vertellen, en hetgeen God zei mochten zij
niet licht achten.
God is heilig, rechtvaardig en
majestueus! Zijn verschijning is indrukwekkend! (Vgl legertanks)
1. Om de Israelieten duidelijk te maken dat hun wil aan God moest worden
overgeven
2. Alle vuiligheid van het verleden moest uit hun leven worden
weggedaan, ze moesten zichzelf heiligen
3. Zij moesten leren om God
te vrezen alle dagen opdat er geen hoogmoed zou komen
4. Alles wat tekort komt aan liefde, dankbaarheid, ontzag, eerbied en
aanbidding breekt het eerste gebod om God boven alles lief te hebben.
5. De Israelieten moesten zichzelf onderzoeken of ze zouden doen naar
hetgeen zij God hadden beloofd.
God wilde dat het volk Zijn Wil
van harte deed!
Gij zijt genaderd tot de berg Sion
Hebr
12:28-28
Christenen zijn vreemdelingen en bijwoners op aarde
1Pe 2:11 Geliefden, ik vermaan u als
bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke
begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel;
Vgl met Ef 2:19 Zo zijt gij dan geen
vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en
huisgenoten Gods,
Losse houdingen
- weigeren afstand te nemen van eigenzinnige wegen (Ri 2:19 Maar met de
dood van de richter begonnen zij weer verderfelijk te handelen, erger
dan hun vaderen, door andere goden achterna te lopen, die te dienen en
zich daarvoor neer te buigen; in niets gaven zij hun verstokte handel en
wandel op)
Nadat Jozua en de oudsten waren gestorven viel Israel terug in een
donkere periode.
De oorzaak hiervan was zonde, zowel indivueel als natie.
Er was onvolkomen gehoorzaamheid, ze weigerden de volken volledig
te vernietigen zoals God had bevolen en dit leidde tot gemengde
huwelijken en afgoderij.
- doen wat recht is in eigen ogen (Ri 21:25 In die dagen was er geen
koning in Israel; ieder deed wat goed was in zijn ogen)
- geven geen acht op Gods Woorden (Jer 7:31 En zij hebben de hoogten van
Tofet gebouwd, die zich in het dal Ben-hinnom bevinden, om hun zonen en
dochters met vuur te verbranden, hetgeen Ik niet geboden heb en wat in
mijn hart niet is opgekomen)
Conclusie:
Opb 22;11-22
Spr 30:5-6 Alle woord Gods is gelouterd; hun die bij Hem schuilen, is
Hij ten schild. Doe niets aan zijn woorden toe, opdat Hij u niet
terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt.
Vorige