|
Er werd in gelijkenissen gesproken
“En
Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en Hij zeide tot hen in
zijn onderwijs” Markus 4:2.
Gelijkenis: (parabole) een voorbeeld waardoor een leerstelling of een
voorschrift wordt toegelicht; een vertelling, verzonnen maar in
overeenstemming met de wetten en gebruiken van het menselijk leven
Leer/onderwijs: dat wat onderwezen wordt.
“Een ieder, die verder gaat en niet blijft
in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze
heeft zowel de Vader als de Zoon” 2 Johannes 1:9.
Doel van gelijkenis (Matteus 13:10-17):
- om de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen bekend te maken aan
hen die hun ogen en hun oren opendoen voor wat God te zeggen heeft
- om de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen verborgen te houden
voor hen van wie het hart vet is, die hardhorend zijn en hun ogen
toedoen.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37)
Wat aan de gelijkenis vooraf
ging:
Een wetgeleerde wilde Jezus verzoeken en vroeg Hem wat hij moest doen om
het eeuwige leven te beërven (25)
- wilde hij echt weten hoe hij het eeuwig leven kon beërven?
- Hij was iemand die de wet bestudeerde, verklaarde en leerde aan de
mensen
Jezus vraagt hem ‘wat staat er in de wet geschreven’ en ‘hoe leest
gij’ (26)
- willen wij weten hoe we het eeuwig leven kunnen beërven dan moeten we
weten wat Gods Woord daarover zegt en dan moeten we de juiste houding
hebben om het te willen navolgen (vgl Lukas 7:30).
“Hij antwoordde en zeide: Gij zult de
Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met
geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf”
Lukas 10:27.
De wetgeleerde laat met zijn antwoord zien dat hij de wet kende
(Deuteronomium 6:5; Leviticus 19:18)
Wanneer wij onze naaste liefhebben dan zullen we hem geen kwaad doen,
dan zullen we niet echtbreken, doodslaan stelen, begeren, … als we dit
doen dan kunnen we zeggen dat we onze naaste liefhebben als onszelf
(Romeinen 13:9).
Jezus zegt hem dat hij juist heeft geantwoord, ‘doe dat en gij zult
leven’ (28)
Dit zijn de dingen waar een mens Gods mee bezig moet zijn, nl met Gods
Wil.
Voor de wetgeleerde die op dat moment nog steeds onder Mozes’ wet
stond, gold het principe van Mozes’ wet, nl ‘doe dat en gij zult
leven’. (Romeinen 10:4; Galaten 3:23-25)
De wetgeleerde wilde zichzelf rechtvaardigen en vraagt Jezus wie zijn
naaste is (29)
Wie moet hij liefhebben? Hoe dicht moet zijn naaste bij hem staan opdat
hij hem zou helpen? Moet het zijn buurman zijn? Of zijn collega? Of de
mens die goed aan hem deed. Of zijn landgenoot? Of … .
De Joden interpreteerden naaste als enkel Joden. Daar hoorden de
heidenen en de Samaritanen niet bij, die als vijanden en grote zondaars
werden beschouwd (vgl Jona en Nineve).
Wie zijn onze Samaritanen? De Marokkanen? De moslims? De Afrikanen? De
mensen uit de Oostblok-landen? De Nederlanders?
Proberen wij onszelf te rechtvaardigen door te zeggen ‘die verdient
mijn hulp en liefde niet?’, ‘die ondergaat wat hij meemaakt als
straf van God, ik moet hem niet helpen?’,
De gelijkenis:
Een mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho
en viel in handen van rovers die hem niet alleen wilden beroven,
maar hem ook halfdood geslagen, achterlieten (30)
Deze rovers hadden slechte bedoelingen (vgl met jongen kreupel geslagen,
genocide in Rwanda).
De weg van Jeruzalem naar Jericho was een gevaarlijk, bergachtig pad.
Toevallig daalde een priester af langs die weg en hij zag de gewonde
man, maar ging aan de overzijde voorbij (31)
Een priester moest een heilig man zijn, de wet gebood hem om niet
onverschillig te zijn tov de nood van een ander (vgl Deuteronomium 22:4;
Exodus 23:4-5).
Hij kwam waarschijnlijk terug van zijn tempeldienst in Jeruzalem waar
hij God diende dmv allerlei rituelen (vgl weggaan van de samenkomst waar
we juist geleerd hebben over de barmhartige Samaritaan en onze medemens
in nood niet helpen – man gewond op straat en niemand deed iets).
Ook een Leviet passeerde de gewonde man, maar ging aan de overzijde
voorbij (32)
De Levieten waren hen die de priesters hielpen in de tempeldienst (vgl
Numeri 8:5-22)
Ook deze kon geen liefde opbrengen voor de gewonde man en ging hem
onverschillig voorbij.
Toen kwam een Samaritaan, die op reis was in zijn nabijheid, en toen hij
de gewonde man zag, werd hij met ontferming bewogen (33). Hij ging naar
hem toe, verzorgde zijn wonden, plaatste hem op zij rijdier, bracht hem
naar een herberg en verzorgde hem (34). De volgende dag gaf hij de waard
2 schellingen en vroeg om hem te verzorgen. Als er extra kosten zouden
zijn, dan zou hij deze vergoeden op zijn terugreis (35)
Van alle mensen in de wereld zouden de Samaritanen de laatste mensen
zijn van wie de Joden naastenliefde zouden verwachten (vgl Johannes 4:9;
2 Koningen 17:24-41). Er was vijandschap tussen Joden en Samaritanen. De
Samaritaan echter werd met ontferming bewogen door het leed van deze
man. Hij liet zich niet leiden door angst, wraak, verplichtingen,
ongemak, … maar door medelijden. Zijn medelijden voor deze man zette
hem ertoe aan om al het mogelijke te doen om deze man te helpen.
Hoe diep tasten wij onze portemonnee wanneer we door ontferming worden
bewogen? “Wie zich over de arme ontfermt,
leent de Here; Hij zal hem zijn weldaad vergelden” Spreuken
19:17.
“Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste
geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen?”
Lukas 10:36.
Wie is de naaste geweest van de gewonde man? Wie van de drie heeft
naastenliefde getoond? De wetgeleerde zou de naaste hebben beperkt tot
zijn
een beperkte kring van vrienden, familieleden en landgenoten.
Vergeet niet dat hij Jezus had gevraagd ‘wie
is mijn naaste’ en dat Jezus hem nu laat zien dat de vraag moet
zijn ‘wie handelt er als een
naaste, wie is de mens die laat zien dat hij liefheeft?’.
Deze vreemdeling die was overvallen was de naaste voor de barmhartige
Samaritaan.
“Hij
zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga
heen, doe gij evenzo” Lukas 10:37.
Jezus ontmaskerde de Joodse vooroordelen en liet zien wie waarlijk de
naaste is! Hoewel het duidelijk de Samaritaan was, noemt de wetgeleerde
hem niet bij naam, maar zegt hij ‘diegene
die barmhartigheid heeft bewezen’. Dit is wat de wetgeleerde moest
doen!
Ga en help de mensen in nood, de hongerigen, de armen, de zieken, de
verlatenen en de behoeftigen. Dan kan je zeggen dat je je naaste
liefhebt als jezelf.
Helpen is niet geld geven aan de dronkaard om alcohol te kopen, aan de
gokverslaafde om te kunnen gokken, aan de hebzuchtige om vanalles te
kunnen kopen, aan de hulporganisatie om ons geweten te sussen.
Welk effect zou de barmhartigheid van de Samaritaan op de gewonde man
hebben gehad?
Conclusie
De Samaritaan was bereid:
- om offers te brengen owv barmhartigheid
- om verder te kijken dan sociale en culturele verschillen
- om zijn drukke schema aan de kant te schuiven
“Gij hebt
gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand
zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u
vervolgen” Matteus 5:43-44.
God liefhebben is een actieve bezigheid, zoals Jezus ook zegt tegen Zijn
discipelen “Wanneer
gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren” Johannes
14:15. “Kinderkens,
laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad
en in waarheid” 1 Johannes 3:18.
- wij kunnen de hele dag roepen dat we God liefhebben, we kunnen heel
ons leven doorgaan als vroom en rechtvaardig, als we niet doen wat God
heeft gezegd, dan baat het ons niet.
Romeinen 12:9-21; 13:8-10.
“Ziet
toe, dat niemand kwaad met kwaad vergelde, maar jaagt te allen tijde het
goede na, jegens elkander en jegens allen” 1 Tessalonissenzen
5:15.
“Want
onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid
bewezen heeft” Jakobus 2:13.
Vorige
|