| A. HOE DIT DEEL GEBRUIKEN Dit deel van je Bijbelhandboek is een verzameling van enkele zeer belangrijke verzen uit de Bijbel. Het kan gebruikt worden als een handig naslagwerkje bij discussies of vragen, waarbij je op Gods Woord wordt aangewezen om een antwoord te vinden. Mogelijk wil je deze passages uit het hoofd gaan leren tijdens een geregeld studieprogramma, zoals vele andere Christenen dat gedaan hebben. Mocht je dat willen doen, dan kan je deze tips gebruiken: 1. Leer bij elke studietijd maar een vers uit het hoofd. 2. Voorzie elke dag een of twee korte periodes om je geheugen te laten werken, liever dan af en toe voor een lange tijd te studeren. Misschien heb je wel zin om deze passages op kaartjes te noteren, die je kan meenemen en die je tijdens vrije momenten even kan bekijken. 3. Herhaal bij elke studietijd tenminste één van de verzen, die je voordien geleerd hebt, vooraleer met een nieuw vers te beginnen. 4. Probeer zo mogelijk een vriend of een familielid te vinden die zich ook voor de Bijbel interesseert. Studeer samen, zodat je elkaars kennis kan controleren. 5. Meestal is het gemakkelijker een vers te onthouden, wanneer je het een paar keer neerschrijft. Sluit de ogen en probeer de woorden te 'zien'. Gebruik je ogen, je handen, je oren en wat je maar kan bedenken. 6. Vergeet niet, dat het volkomen nutteloos is passages uit de Schrift te onthouden als je ze niet begript. Vraag om hulp wanneer je moeilijkheden hebt om een vers te verstaan. Bid dat dit gedeelte van Gods woord een betekenisvol en toegepast deel van je leven zou worden en niet alleen een deel van je gedachten. 7. Wacht op de gelegenheid om te gebruiken wat je onthouden hebt, zonder je aan te stellen. Discussies in de Bijbelstudie en thuis kunnen een gelegenheid zijn om wat je door herhaling geleerd hebt, nog beter te begripen. Misschien kan je met enkele vrienden een club vormen, waarin jullie in competitie elkaars geheugen op de proef stellen. B. BELANGRIJKE VERZEN 1 . AVONDMAAL 1 Korintiërs 11:23-26; 1 Korintiërs 10:16-17; Handelingen 20:7; Johannes 6:48-51 2. BELIJDENIS Matteus 10:32-33; Romeinen 10:9-10; Filippenzen 2:9-11; 1 Timoteus 6:12; Hebreën 10:23 3. DOOP Romeinen 6:3-4; 1 Korintiërs 12:13; 1 Petrus 3:21; Handelingen 2:38; 1 Korintiërs 6:11; Galaten 3:27; Titus 3:5; Marcus 16:15-16 4. EREDIENST Johannes 4:23-24; Handelingen 20:7; Kolossenzen 3:16-17; Hebreën 10:25; Romeinen 12:1-2 5. GEBED Matteus 6:6; Romeinen 8:26; Filippenzen 4:6; Matteus 21:22; 1 Tessalonissenzen 5:16-18; Jacobus 5:16 6. GEHOORZAAMHEID Hebreën 11:8; Johannes 14:15; 1 Johannes 5:2 7. GELOOF Jesaja 26:3-4; Hebreën 11:1-3; Romeinen 5:1-2; Jakobus 2:14-17 8. GEMEENTE Efeziërs 1:22-23; Kolossenzen 1:18; Efeziërs 5:23-27; 1 Timoteus 3:15 9. GENADE Efeziërs 2:8-9 10. HEILIGE GEEST 1 Korintiërs 2:10-14; 1 Korintiërs 12:12-13; Galaten 5:22-23; Romeinen 5:5; Romeinen 8:26-27 11. HOOP 1 Petrus 1:3-4; Romeinen 8:24-25; Romeinen 5:2-5; Kolossenzen 1:27 12. LIEFDE Johannes 3:16; 1 Korintiërs 13:7; 1 Johannes 3:18; Romeinen 5:8; Kolossenzen 3:14; 1 Johannes 4:7-12 13. OPSTANDING 1 Korintiërs 15:20; Romeinen 4:24-25; Romeinen 6:5,9; Romeinen 8:11; 2 Korintiërs 1:9 14. VERGEVING Efeziërs 4:32; 1 Johannes 1:9; Mattheus 18:21-22; Jakobus 5:15
| |