Deel 5: Wat het Nieuwe Testament verhaalt
1) Het verhaal van Jezus

 

A. DE KOMST VAN JEZUS
Het Nieuwe Testament handelt over echte mensen en echte plaatsen. Het verhaalt over Gods meest opwindende en belangrijkste daad. Het is het verhaal van Jezus, die Gods gezalfde,de Messias, was. Om het Nieuwe Testament beter te begrijpen is het noodzakelijk iets te weten over de sociale en politieke omstandigheden van toen. Gods volk, de joden, werd toen nog bestuurd door een vreemd volk. Het werd ingelijfd door het groot Romeinse Rijk dat Rome als hoofdstad had. Alhoewel aan de joden godsdienstvrijheid werd toegekend, mochten ze niet beslissen over al hun zaken. Romeinse soldaten en Romeinse heersers voerden bevelen uit die van Rome kwamen.
De joden dachten terug aan de tijd, toen ze door  eigen koningen geregeerd werden, door grote koningen zoals David en Salomo. De joden dachten aan hun verleden en leefden in voortdurend contact met vreemde bezettingssoldaten. Ze wachtten met ongeduld dat de Romeinse macht zou omvergeworpen worden. Ze begonnen uit te kijken naar een Messias, die de Romeinen met geweld zou verdrijven en een nieuw koninkrijk, zoals dat van David, zou oprichten.
Onder dergelijke omstandigheden was het dat God besloot te handelen. Hij trad op als Jezus van Nazareth die de meest volkomen openbaring is van wat God is. Jezus zei: "Een ieder die Mij aanschouwt, aanschouwt Hem die Mij gezonden heeft." (Johannes 12:45).
In Jezus maakt de bevrijdende God zich aan de mensen kenbaar op een wijze duidelijker dan ooit tevoren of nadien. Door Jezus sloot God een nieuw verbond met de mensen, het verbond waarop de mensen hadden gewacht en gehoopt sedert de tijd van de profeten. Net zoals het oude verbond, toont het nieuwe verbond hoe G0d bekommerd is om de mensen en medelijden heeft met hen. Het toont ook aan dat God bereid is iets te doen voor het welzijn van de mens.
Alhoewel er veel verschil is tussen het oude verbond en het nieuwe verbond, heeft het belangrijkste verschil te maken met wie Jezus was. De schrijver van de brief aan de Hebreën 1:1-4 zegt hierover : 
"Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze, de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft."
We mogen niet voorbijgaan aan het feit dat Jezus de Zoon van God is! Het woord 'zoon' betekent niet precies hetzelfde als wanneer wij zeggen dat we de zonen van onze vaders zijn. Het betekent dat er tussen Jezus en God een heel bijzondere verhouding bestond, die nauwer was dan de verhouding tussen God en om't even welke grote leider of profeet uit het Oude Testament. Maar belangrijker is, dat dit betekent dat God zelf in Christus aanwezig was. 
Het meest opvallende feit omtrent Jezus wordt ons duidelijk wanneer de Bijbel Hem 'het Woord Gods' noemt. Het ,woord 'logos' dat in het Grieks 'woord' of 'spraak' betekent, wordt ook gebruikt om Gods vermogen te beschrijven de wereld al sprekend te scheppen: "En God zeide: 'Er zij licht.'" Maar wanneer het Evangelie volgens Johannes over Jezus spreekt, dan wordt Hij beschreven als, 'Het Woord', Johannes 1:1-3 en 14:
"In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. ... Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid."
Stel je dat even voor! Jezus was dus op een of andere wijze aanwezig als de scheppende kracht van God toen de wereld werd geschapen. Nochthans betekent Zijn geboorte in Bethlehem, dat Hij bereid was te leven in de wereld, waarin wij leven. Hij was het vleesgeworden Woord. 
Maar God grootste daad bestond niet in een machtsvertoon, toch niet rechtstreeks. Hij deed het onder de vorm van een hulpeloos kindje, dat een nederig joods paar, Jozef en Maria, als ouders had. 

B. HET LEVEN VAN JEZUS
Het Nieuwe Testament begint met de geboorte van een kindje in het kleine stadje Bethlehem, een verhaal dat iedereen kent. Dat de grote God van de Schepping opnieuw ingreep in de geschiedenis - deze keer onder de gedaante van een kindje - is de wereldschokkende boodschap van het Nieuwe Testament. Het belang van deze gebeurtenis blijkt duidelijk uit de boodschap van de engel aan Maria, Lucas 1:31-33:
"En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn koningschap zal geen einde nemen."
Zoals we nochtans zullen zien, schiep de wijze waarop Jezus de troonopvolger van David moest worden, een probleem. Omdat de mensen verwacht hadden dat de Messias een koning zou zijn zoals David, hebben de religieuze leiders en de meeste mensen Jezus niet aanvaard. De manier waarop God Zijn volk tegemoet trad, verraste velen. Daar waren drie belangrijke redenen voor.
Ten eerste verbleef Jezus in het gezelschap van zondaars. Godsdienstige mensen hadden waarschijnlijk verwacht dat God hun gunstiger gezind zou zijn. Toen de Messias kwam, dachten ze dat Hij de kant zou kiezen van hen, die zich afzijdig hielden van zondaars en van alledaagse problemen. Maar Jezus deed dat niet. Op een dag zat Hij aan tafel met een groep zondaars en enkele Farizeeërs. Zeer godsdienstige joodse mensen zagen hem. Met iemand een maaltijd delen betekende in die tijd en in dat land, dat je heel nauw verbonden was met die persoon. De Farizeeën vroegen Hem dus Lucas 5:30: "Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?
We moeten voor ogen houden dat ze vurig hoopten nog tijdens hun leven de Messias in macht en glorie te zien komen om hun volk te bevrijden. En toen ze toeliepen om Jezus te zien, konden ze enkel diep ontgoocheld zijn.
Daar zat Hij aan tafel met enkele bestofte, onwetende boeren. En wat nog erger was: er zat ook nog een tollenaar bij, een van de verwenste kerels, die belastingen inden voor de gehate Romeinen!
Maar Jezus wist dat er hun iets heel belangrijks ontging. Hij zei Lucas 5:31-32:
"Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering."
Dat Jezus kwam om te dienen, was een tweede reden, waarom Hij niet degene was die de joden verwacht hadden. Hij toonde niet alleen belangstelling voor zondaars. Hij kwam ook om te dienen. Zelfs voor Zijn volgelingen was dat moeilijk te verstaan.
Even voor Zijn dood verwekte Jezus verbazing en opschudding bij Zijn leerlingen, toen ze samen aan het eten waren. Op Zijn knieën met een kom water, begon Jezus hun voeten te wassen. Kon deze man de Messias zijn, die Gods volk zou bevrijden? Velen begonnen te denken dat Hij het niet kon zijn. Zelfs Jezus' leerlingen waren onzeker, omdat niemand verwacht had dat de Messias een dienaar zou zijn. De Evangeliën zeggen echter over Jezus dat Hij kwam niet om gediend te worden, maar om zelf te dienen (Matteus 20:28 en Marcus 10:45).
Een derde reden waarom de joden verrast waren, was dat Hij kwam om te lijden. Jezus beschouwde Zichzelf als de dienaar van God, waarover de profeet Jesaja gesproken had  Jesaja 53:2-3, 7:
"Want als een loot schoot Hij op voor Zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; Hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt. Hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. ... Hij werd mishandeld, maar Hij liet zich verdrukken en deed Zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open."
Eenmaal noemde Petrus Jezus de Christus - of Messias - toen Jezus hem vroeg: "Wie denk je dat Ik ben?" Toen Petrus geantwoord had, vertelde Jezus tot Zijn volgelingen dat Hij zou lijden, Marcus 8:31:
"En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en gedood worden en na drie dagen opstaan."
Stel je even voor welke schok het voor de joden moest geweest zijn vast te stellen, dat de Messias niet de grote krijgsman was, die ze verwacht hadden. En het was nog moeilijker te geloven, dat Hij moest lijden en dat Hij zelfs zou sterven.

C. HET KRUIS
Alle vier de Evangeliën handelen over de dood van Jezus. Het verhaal van het kruis is het verhaal van Jezus, die in de steek wordt gelaten door Zijn volgelingen. Zelfs Petrus, een van de discipelen die het meest met Hem vertrouwd waren, liep weg toen de soldaten Hem grepen. Hij wou zelfs niet toegeven dat hij Hem kende. Jezus werd zowel voor de joodse als de Romeinse overheid gebracht. Hij werd bespot en gefolterd. Dan ging Hij de eenzame weg naar de heuvel Golgotha (wat betekent 'de schedel'); met pijn het zware kruis dragend, waaraan Hij moest sterven. Net zoals in het Oude Testament gaf God daar blijk van getrouwheid temidden de trouweloosheid van de mensen. 
Zelfs toen Hij aan het kruis de hevigste pijn leed, dacht Jezus nog aan de anderen. Hij dacht aan een rover, die aan een kruis bij Hem aan 't sterven was, en zei: 'Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.' (Lucas 23:43). Hij dacht aan Zijn moeder Maria en vroeg een van Zijn leerlingen voor haar te zorgen (Johannes 19:25-27). Hij dacht zelfs aan de soldaten en de menigte die geholpen hadden om Hem aan het kruis te krijgen, Lucas 23:34:
'En Jezus zeide: 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."
Het kruis, dat het lijden en de dood van Jezus symboliseert (zie 1 Korintiërs 1:17-18) leert ons zowel over de mens als over God. Wat het kruis overde mens vertelt is pijnlijk om horen. Het kruis vertelt ons dat onwetende mensèn, trotse mensen, sensatiezoekers, zelfzuchtige mensen, allen schuld hebben aan de dood van Gods Zoon. 
Maar wat het kruis over God leert, geeft ons hoop en maakt ons duidelijk waarom Jezus geleden heeft. De Apostel Paulus zei in Romeinen 5:6-8:
"Toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven. Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven -- maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -- God echter bewijst Zijn liefde jegens ons, doordat  Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is."
Christus stierf niet voor ons omdat we zo goed waren. De Bijbel zegt dat God Zijn Zoon opofferde voor de zondaars, voor de laagste mensen, omdat Hij hen liefheeft (Johannes 3:16).

D. DE OPSTANDING
Het verhaal van het kruis handelt over een verschrikte, ontgoochelde kleine groep mannen en vrouwen, die Jezus gevolgd hadden. Toen hun leider gedood was, waren hun hoop en hun verwachtingen weggeveegd. Hadden ze gedurende drie jaar hun tijd verloren toen ze de grote leraar volgden? Ze hadden heel veel van Hem geleerd, maar nu was Hij dood. Hij was terechtgesteld aan het kruis, net alsof Hij een misdadiger was.
Indien het Nieuwe Testament hiermee zou eindigen, zouden we voor een probleem staan. Waar is het goede nieuws? Hoe kan dit verhaal ons helpen? Natuurlijk toont het ons iets van Gods liefde. Nochtans zou het maar een droevig einde zijn als het verhaal hiermee zou eindigen.
Maar het Nieuwe Testament vertelt ons dat dit niet het einde is van het verhaal. Alle Evangeliën roepen uit dat God Jezus uit het graf liet opstaan! Nogmaals wordt God beschreven als de God-die-bevrijdt. God bevrijdde Jezus uit het graf en slechts drie dagen na de begrafenis verscheen Hij aan Zijn volgelingen. De leerlingen waren verrast want ze verwachtten niet dat Jezus zou verrijzen. Sommigen konden zelfs niet geloven toen ze Jezus zagen. Thomas zei dat hij niet zou geloven zolang hij de littekens in Jezus handen en de wonde in Zijn zijde niet zou zien en aanraken (Johannes 20:25).
Jezus liet Thomas Zijn wonden aanraken en zich ervan overtuigen dat zijn leraar werkelijk ievend was. Toen vroeg Hij echter aan Thomas en Zijn andere volgelingen vertrouwen en geloof te hebben in God en in Hem, als de Christus (of Messias) van God'. De laatste maal dat Jezus met Zijn leerlingen samen was, gaf Hij hun het 'Grote zendingsbevel', zoals dat werd genoemd, Matteus 28:18-20:
"En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.'"
De opstanding van Jezus Christus leert ons dat God in staat is het leven te bevrijden van de dood, die een grote angst en onzekerheid is waarmee de mens geconfronteerd wordt. De opstanding betekent dat God met hen is, die in Hem geloof en vertrouwen kunnen stellen en dat Hij hen van de dood zal verlossen.

E. HEER EN CHRISTUS
De opstanding vertelt ook iets over Jezus. Er wordt gezegd dat alle macht Hem gegeven werd. Of zoals Petrus in een bekende toespraak zegt, Handelingen 2:36:
"Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem en tot Here en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt."
'Heer en Christus' betekent voor ons vandaag misschien niet veel meer. 'Christus' is geen eigennaam. Soms zeggen we 'Jezus Christus' zoals we zouden zeggen 'Jan Peeters' of 'Maria Smets.' Hoe dan ook, het woord 'Christus' komt van het Grieks 'Christos'. Het Hebreeuwse woord 'Messias' betekent 'gezalfde' en dat bedoelt Petrus wanneer hij zegt dat Jezus de Christus is. Hij is de Messias -- degene die door God werd uitverkoren om Zijn volk te redden. Petrus zegt: "God heeft Hem opgewekt. Hij is het!" En wanneer Petrus zegt dat Jezus de 'Heer' is, gebruikt hij het Griekse woord 'kyrios', wat betekent 'iemand die met onbeperkt gezag regeert.' Hij bedoelt dat Jezus een dergelijke macht en gezag heeft, dat iemand die God wil eren, Jezus als Heer moet kennen. Om God te horen moet men Jezus horen; om God te kennen moet men Jezus kennen. Paulus beweerde, Filippenzen 2:9-10:
"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!"
Deze, die de uitstraling is van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen en die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge, zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam geërfd heeft dan zij. (Herziene Voorhoeve-Uitgave)

F. VOOR WIE MEER WIL WETEN
--'Logos'is het Griekse woord voor 'woord, spraak of reden' en komt ook in vele Nederlandse woorden voor. 'Theologie = theos (God) + logos, betekent, 'nadenken over God' dus de 'studie van God.' 'Biologie' = bio(leven) + logos of de studie van de levende dingen. 'Logisch' = wat zin heeft. Als je van Jezus zegt dat Hij de Logos of de 'reden' van God is, dan komt het erop neer dat Zijn de weg de wereld een zin geeft.

 

Vorige