1 Korintiërs
13:8-10 "De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen
afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan
hebben. Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.
Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben."
Op het einde van deze les vindt u enkele vragen.
Gelieve deze te beantwoorden en de oplossingen naar dit
(peter@gemeentevanchristus.be) emailadres terug te sturen, waar uw
antwoorden zullen worden nagezien. Dit zal snel gebeuren. Indien
het antwoord niet juist is zal dit worden aangetoond en het juiste antwoord
zal tot uw attentie gegeven worden. Wij hopen van harte dat deze
bijbelstudie u zal bevallen.
I. INLEIDING
Er bestaat aan de dag van vandaag heel wat verwarring betreffende de gaven
van de Heilige Geest, zoals ze in het Nieuwe Testament vernoemd worden.
Zoals we reeds in andere lessen zagen, was het tijdperk dat door de komst
van de Heilige Geest werd ingeleid, het Christelijk Tijdperk. Dit
begon ongeveer in 33 na. Chr. en de teksten die daarover handelen, vinden we
in Handelingen hoofdstuk 2.
Al de uitingen van religieuze toewijding moeten, om echt en geldig te zijn
in de ogen van God, overeenstemmen met deze in het Nieuwe Testament
beschreven. De enige manier om de gaven van de Heilige Geest te
verstaan is door grondige studie van het Nieuwe Testament en niet door een
of ander inwendig gevoel of emotionele ervaring.
II. BESCHREVEN GAVEN
A. LIJST VAN DE GAVEN
Efeziërs 4:11
(1) Apostelen, (2) profeten, (3) evangelisten, (4) herders, (5) leraars, ...
Marcus 16:17-18
(6) boze geesten uitdrijven, (7) in nieuwe tongen spreken, (8) slangen
opnemen, (9) vergif drinken, (10) zieken genezen...
1 Korintiërs 12:4-11
(11) wijsheid, (12) kennis, (13) geloof, (14) krachten, (15) onderscheiden
van geesten, (16) vertalingen van tongen.
Niettegenstaande er verscheidenheid van gaven is, zijn er toch dingen in die
ze gemeen hebben. Ten eerste, hebben ze allen hetzelfde doel.
Ten tweede, kwamen ze allen terzelfdertijd tot stand. Ten derde, als
er één van deze gaven bestaat, dan moeten de andere er ook zijn.
Omgekeerd moet, als er één van hen ophoudt te bestaan, dezelfde kracht
onmiddellijk en automatisch ook de andere doen ophouden.
B. DOEL VAN DE GAVEN
Efeziërs 4:12-14
Hier zien we dat deze gaven de Christenen moesten bekwaam maken om de opbouw
van de Gemeente te dienen. Zo zien we ook dat ze de Gemeente en de
Christenen moeten helpen opgroeien tot volwassenheid.
Marcus 16:19-20
Na Christus' hemelvaart dienden deze gaven om het woord te bevestigen.
Anders gezegd dienen ze om aan geïnteresseerde personen, die nog niet
geloofden, te tonen dat zij, die de gaven bezaten; werkelijk Gods boodschap
in geest en waarheid brachten.
Johannes 20:30-31
De vele tekenen die Christus en Zijn discipelen deden "werden
beschreven" omdat wij zouden geloven. Er werd ook genoeg neer
geschreven om dat geloof te doen ontstaan.
Judas 3
Het beschrijven van de tekenen en wonderen is voldoende om geloof in Jezus
te doen ontstaan. Deze beschrijvingen kwamen het Nieuwe Testament.
C. KENMERKEN VAN DEZE GAVEN
1. EEN VOLMAAKTE GAVE
Matteus 12:13
Dit toont aan dat elke gave, door een apostel of door God geschonken,
volledig volmaakt moet zijn. Ze moest zo zijn dat ze helemaal voldeed
aan de bedoeling. Indien iemand nu in onze tijd, genezen wordt (b.v.);
dan moet dit ook VOLLEDIG zijn. Iemand die nu "in tongen"
spreekt moet ook de volmaakte gave bezitten aan anderen Gods reddingsplan
volledig te onderwijzen, zonder enig misverstand. Dit is een geweldig
verschil met velen die beweren ook nu nog gaven te bezitten.
2. ELKE GAVE WAS BEPERKT
Wij moeten alle gaven gelijk achten.
1 Korintiërs 12:27-31
Zelfs in de Gemeente waar veel gaven aanwezig waren, werden deze aan wel
bepaalde afzonderlijke personen toebedeeld, nooit aan de hele Gemeente.
Slechts één of twee bezaten een gave en dit betekende nooit dat iemand
persoonlijk gered was. Iedereen zo maar aanzetten tot het spreken in
tongen, is helemaal niet in overeenstemming met het Nieuwe Testament.
Daarom kunnen hedendaagse praktijken dan ook niet waar zijn.
1 Korintiërs 14:27-28 en 33 en 40
Deze gaven waren geen spontane opwellingen, maar moesten door de vergadering
geregeld worden. Ze werden goed gecontroleerd en moet zeker niet
gezien worden in de zin van de hedendaagse verwarrende diensten waar
iedereen verwacht wordt deze emotionele gaven te ontvangen.
D. ONTVANGEN VAN DE GAVEN
1. DE DOOP MET DE HEILIGE GEEST
Deze vorm van doop wordt slechts twee maal in het Nieuwe Testament vernoemd.
Om verwarring te voorkomen wordt hier het woord "doop" in de zin
van "onderdompeling" of "overstelpen" gebruikt. Met
andere woorden is de persoon "overstelpt" of "bedekt
met" de Heilige Geest.
a. PINKSTEREN
Handelingen 1:26 t/m 2:4
Het onderwerp van dit wonder was "de apostelen." Het woord
"zij" in 't tweede hoofdstuk gebruikt, is hetzelfde als dit van
vers 26 uit het eerste hoofdstuk. Dit waren enkel de twaalf apostelen,
die door Christus waren uitverkoren en geen anderen. Ter
verduidelijking zie ook :
Handelingen 2:14, 37 en 42-43 en 5:12
b. CORNELIUS
Hier is er een zekere overeenkomst met het Pinkstergebeuren.
Handelingen 10:44-48 en 11:15-18
De Heilige Geest overstelpte hen die het woord begonnen te horen.
Buiten dit uitwendig teken was er geen ontvangen van de Geest, wat enkel en
alleen bedoeld was voor de Christen geworden joden, die met de apostel
Petrus medekwamen.
De joodse Christenen zagen dit mirakel gebeuren. Zij die daar aanwezig
waren zagen en verstonden dat ze verstaanbare woorden van lof tot God
spraken. Toen vertelden de joden en Petrus aan de andere Christenen in
Jeruzalem dat deze gebeurtenis dezelfde was als in Handelingen
2. Vandaar kunnen wij ook besluiten dat de Gemeente onder de
heidenen tot stand was gekomen, op dezelfde wijze als onder de joden in Handelingen
2.
c. IN VERVULLING GAAN
De opeenvolgende gebeurtenissen tonen aan dat dit nooit werd herhaald in het
Nieuwe Testament. Het idee van in vervulling gaan betekent dat het
doel van zekere dingen werd bereikt. Wij zagen reeds dat de redding
door onderdompeling in water geschiedt. (Zie de 7e les van onze
Bijbelstudie reeksen). Het doel van het door de Heilige Geest
ondergedompeld of overstelpt worden in Handelingen 2,
was om de Gemeente van Christus onder de joden te scheppen. Dit
gebeurde ongeveer 33 na Chr. met als hoogtepunt de onderdompeling in water
van allen die de apostelen hoorden prediken. In Handelingen
10 en 11 maken we de schepping mee van de Gemeente van Christus onder
de heidenen op dezelfde wijze en door dezelfde kracht. Ook dit werd
met de waterdoop door onderdompeling bezegeld. Dit gebeurde ongeveer
45 tot 47 na Chr. Rond 56 na Chr. gaf Paulus zijn instructies, over de
werking van de doop door onderdompeling, aan de Romeinen.
Romeinen 6:1-7
Rond ongeveer 64 na Chr. toont de apostel Petrus in zijn brief aan dat water
bij de onderdompeling het contactpunt is waar redding optreedt.
1 Petrus 3:21
De apostel Paulus schreef ook in deze zin naar de Gemeente van Christus in
Efeze rond 59 tot 61 na Chr.
Efeziërs 4:5
Hij zegt er duidelijk dat er maar ÉÉN DOOP is. Over welke sprak hij
dan? Door de Heilige Geest of door het water?
Efeziërs 5:26
Het ging hier heel duidelijk over de waterdoop. Als dat waar is, wat
gebeurde er dan met de overstelping van de Heilige Geest? Wanneer het
doel voor het stichten van de Gemeente van Christus, het Koninkrijk van God,
vervuld was; zowel voor de joden als voor de heidenen; was het niet meer
nodig dat dit zich steeds maar opnieuw herhaalde. Het feit van redding
door onderdompeling in water, voegt ELKE KEER een ziel tot de Gemeente van
Christus, daar waar de boodschap wordt gepredikt en in oprechte harten wordt
ontvangen, en in geest en waarheid wordt gehoorzaamd. Waar dan 2 of 3
christenen samenkomen in Jezus Naam, daar vormen zij de gemeente van
Christus. Het is dan niet nodig dat de Heilige Geest zelf optreedt om een
nieuwe Gemeente te scheppen iedere keer als dat nodig is. God heeft
Zijn weg tot redding en het scheppen van Zijn gemeente van alle tijden, Zelf
geopenbaard.
2. DE HANDLPLEGGING
De enige andere weg die wordt vermeld om deze wonderbare gaven te ontvangen
was door de handoplegging van iemand anders.
Handelingen 8:1-23
Hier moesten twee vragen beantwoord worden. Ten eerste, hoe komt het
dat Filippus, die vol van de Geest was, deze gaven niet kon doorgeven aan de
gelovigen in Samaria? Ten tweede, waarom werden er hier in dit geval
apostelen gestuurd? Het antwoordt ligt voor de hand. Filippus
was geen apostel, maar enkel een evangelist. De gave van het
handenopleggen bezaten de apostelen alleen met de bedoeling wonderbare gaven
te schenken. Niemand anders bezat deze macht. Dit was het teken
van an echte apostel.
Handelingen 19:1-6
Het teken van Paulus' apostelschap hier, was het geven van speciale gaven
aan deze mensen toen ze Christen werden. Wij zagen reeds waarom deze
gaven werden gegeven, om deze jonge Christenen te helpen opgroeien tot
volwassenheid. Wij mogen niet uit het oog verliezen dat de eerste
Gemeenten het Nieuwe Testament niet helemaal hadden, tot op 't einde van de
eerste eeuw, als de laatste apostel (Johannes) zijn laatste brief beëindigd
had. Daarom kunnen wij gemakkelijk verstaan dat deze jonge Gemeente
directe hulp nodig hadden, terwijl de openbaring van het Nieuwe Testament
werd vervuld. Moeten deze gaven vandaag de dag nog ontvangen worden,
dan moet het juist op dezelfde manier gebeuren als hier wordt beschreven,
door de handoplegging van een apostel. Geen apostelen, geen gaven!
E. NADER BESTUDEREN VAN ENKEL GAVEN
Wij hebben de gaven in het evangelie van Marcus en de brieven van Paulus
reeds opgesomd. Nu willen wij proberen om enkele van deze te
beschrijven, omdat alle gaven gelijk behandeld moeten worden.
1. DE GAVEN VAN IN TONGEN SPREKEN
Om deze gave te verstaan moeten wij drie woorden nader bestuderen. Het
eerste is "glossa" dat in 't Grieks is verwant. Als dit
woord in de context wordt gebruikt in verband met het spraak orgaan in de
mond, wordt het terecht met "tong" vertaald. Evenwel als het
gebruikt wordt om het geluid dat de tong voortbrengt aan te tonen, moeten
wij het in modern Nederlands vertalen als "taal." Het
tweede woord in 't Griekse is "dialectos." Ons woord
"dialect" komt daarvan voort. In sommige gevallen wordt het
als "taal" vertaald. Het derde Griekse woord is
"hetoros," dit wordt als voorzetsel "hetero" in
sommige vreemde woorden gebruikt. De letterlijke betekenis van dit
woord is "verschillend." Zo wordt bijvoorbeeld de liefde
tussen man en vrouw beschreven als een "hetero-sexuele liefde," of
een liefde tussen twee verschillende geslachten. In het Nieuwe
Testament heeft dit woord dezelfde betekenis. Toch hebben, voor een of
andere reden, de vertalers in verband met tongen; de voorkeur gegeven aan de
woorden "nieuw" en "onbekend" in plaats van de
letterlijke betekenis. Dus, in de plaats van te zeggen dat sommigen in
"onbekende tongen" spraken, zou dit moeten zijn dat ze in
"verschillende talen" spraken. B.v.
Handelingen 2:5-11
Hier worden 16 verschillende nationaliteiten opgesomd. Iedereen hoorde
de Evangelieverkondiging in zijn eigen "dialect." Bij nader,
zorgvuldig onderzoek komen wij tot de vaststelling dat er hier 12 apostelen
aan 't woord waren en dat er maar 12 "dialecten" onder de 16
aanwezige nationaliteiten aanwezig waren.
In elk geval is in het spreken van deze talen die op wonderbare wijze werden
gehoord, steeds de idee aanwezig van "volledig begrijpen."
Paulus vereist zelfs een uitlegger te gebruiken of anders moest er gezwegen
worden.
1 Korintiërs 14:28
Dit is omdat er verwarring optreedt als "opbouwing" en
"onderricht" niet kunnen plaats grijpen, uit oorzaak van
luisteraars die onbekwaam zijn om te begrijpen. Dit is erg
verschillend van de moderne in "tongen sprekende" groepen, die
door de emotionele druk in hun midden een voortdurende verwarring
onderhouden. Als er in sommige gevallen uitleg gegeven wordt (om
slechts als bewijs te kunnen aangevoerd worden, daar waar een
wetenschappelijk bewijs ontbreekt), is het verre van onderrichten en nog
minder stichtend. Men moet zich afvragen waarom al dat LAWAAI MAKEN
nodig is, daar al deze mondelinge uitdrukkingen door afzonderlijke personen
gecontroleerd moeten worden zonder dat er communicatie plaats grijpt?
God is de Schepper van alle talen en dialecten :
Genesis 11:1-9
Zeggen, zoals sommigen doen, dat God hen een speciale gebedstaal heeft
gegeven; zou betekenen dat Hij hen hierin bevoorrecht heeft. Zouden
wij durven beweren dat God het gebed of het onderricht van iemand, die bidt
in zijn eigen taal, niet verstaat? Hoe klein zou God wel zijn moest
Hij onze eigen moedertaal niet verstaan, wat het noodzakelijk zou maken
speciale voorrechten te verlenen.
2. DE GAVEN VAN GENEZING
Al de hedendaagse "geloofsgenezers" hebben één ding gemeen en
dat is dat ze de nadruk leggen op de noodzaak aan een groot geloof vanwege
de zieke. Iemand die heilzaam geloof niet bezit kan dan ook niet
genezen worden. Wij hoeven slechts naar het Nieuwe Testament te kijken
om te zien dat er hier iets niet klopt.
Handelingen 3:5-8 en 16
Deze man verwachtte niets anders dan geld! Wij zien dat er van hem
helemaal geen geloof werd verwacht. Petrus (een apostel) genas hem als
een gave. Hij moest niet eerst een soort van herstel periode
doormaken, hij werd helemaal en volledig genezen. De huidige
"geloofsgenezers" houden zich voor bezig met hen die
psychosomatisch ziek zijn. 't Is te zeggen met hen die fysisch ziek
zijn uit oorzaak van een emotionele-mentale stoornis. Hun geloof is
niet anders dan een positief denken dat oorzaak is van een verbetering in
hun toestand.
Men moet ook naar de "genezer" zelf kijken. In de Verenigde
Staten worden er elk jaar duizenden van deze, zowel mannen als vrouwen, voor
bedrog aangehouden. Het zich laten betalen voor hun diensten, leidt
tot allerhande verderfelijke praktijken. Vele onder hen onderwijzen
valse doctrines en leven echt immoreel. Hun gaven kunnen zeker niet
van de Heilige Geest zijn.
Handelingen 5:32
3. DE GAVE VAN IMMUUN TE ZIJN
TEGEN GIF
Deze gaven worden vandaag de dag door velen uitgebuit. Hun
basisstelling is dat ze hun geloof zo sterk achten dat ze Gods aanwezigheid
in hun leven kunnen aantonen door met slangen om te gaan of door gift te
drinken. Een Christen kan God nooit testen in deze aangelegenheid.
Matteus 4:7
Moet het geloof beproefd worden, dat is het God die ons geloof moet testen
en niet andersom.
4. DE GAVE VAN HET APOSTEL-ZIJN
Het woord "apostel" betekent iemand die met een boodschap werd
uitgezonden. Doorheen het Nieuwe Testament wordt het gebruikt om
verschillende typen personen te noemen. Niettemin was er maar één
speciale groep die de gave van het "Apostel-zijn" bezat.
Deze gave mag als de hoogste van alle gaven worden beschouwd. Ze werd
dan ook door Christus zelf verleend en door niemand anders. In feite
was de speciale voorwaarde dat ze Christus persoonlijk na Zijn opstanding
moesten gezien hebben.
Handelingen 1:22
Iemand die in onze dagen beweert en apostel te zijn, moet
noodzakelijkerwijze de ECHTE Christus gezien hebben en niet een of ander
visioen in een droom, waarin Christus hen de "gave van het
Apostel-zijn" zou verleend hebben.
Een zorgvuldige studie van deze mannen toont ons aan dat ze al de in onze
lijst vermelde gaven bezaten, met inbegrip van deze die niet erbij vermeld
werden, zoals het "opweken van doden." Van een apostel van
Christus werd verwacht dat hij al deze gaven bezat teneinde te bewijzen dat
hij van Christus was.
2 Korintiërs 12:12
Wij vinden hen aan de basis van de stichting van de Gemeente op Jezus
Christus als Zoon van God. Zij waren de centrale boodschappers en de
dragers van de waarheid.
Efeziërs 2:20
Deze mannen werden door Christus zelf uitverkoren om getraind en onderwezen
te worden voor een speciaal doel. Om hen bekwaam te maken om deze grote taak
uit te voeren, rustte de Heer hen uit met speciale bekwaamheden.
Johannes 14:26 en 16:12-14
De Heilige Geest leidde de hele operatie, door middel van de apostelen.
Zij werden door de Heilige Geest toegerust met volle kracht. Zij
deelden aan een verloren en stervende wereld de wondermooie boodschap van
redding mede, in woorden niet door gevoelens en emoties.
1 Korintiërs 2:13
Het resultaat van deze medegedeelde en neergeschreven woorden was de Schrift
gekend als het Nieuwe Testament.
De apostel Paulus was ook één van deze speciale mannen.
Handelingen 9:6
Galaten 1:1
Als iemand de gave van het Apostel-zijn bezit, dan moet hij al de in het
Nieuwe Testament vermelde eigenschappen bezitten. Als hij in één
punt te kort komt, dan is hij geen apostel van Christus. De apostel
Paulus verklaard dat het onmogelijk is dat er nu nog apostelen zijn, want
hij noemt zichzelf de laatste.
1 Korintiërs 15:8
Dit "allerlaatst" zouden wij over het hoofd moeten zien om nu nog
een apostel te hebben. De overdracht van de gave door handoplegging
moest en kon alleen gedaan worden door Christus' eigen apostelen. Alle
anderen zijn bedreigers.
III. DE GAVE HEBBEN OPGEHOUDEN
A. ZE WAREN NIET BLIJVEND
Zoals alle andere voorafgaande dingen waren de wonderbare gave van de Geest
er slechts tot hun doel bereikt zou worden. Het was niet nodig deze te
onderhouden, als ze ophielden hun oorspronkelijk doel te vervullen.
1 Korintiërs 13:8-11
Paulus gebruikt de term "zij zullen afgedaan hebben," "zij
zullen verstommen" en "het zal afgedaan hebben," in
betrekking tot deze wonderbare gaven. Moest er één ophouden dan
zouden de anderen dat ook doen. Ze kwamen allen voor hetzelfde doel en
ze verdwenen terzelfdertijd omdat deze doelen werden bereikt.
B. WANNEER HIELDEN ZIJ OP?
Ten tijde van de vernietiging van Jeruzalem (rond 70 na Chr.) was het doel
van de apostelen vervuld. Het Nieuwe Testament was ofwel mondeling
doorgegeven of neergeschreven. De apostel Johannes is de enige die na
deze tijd nog schreef. De boeken Hebreeën en Judas zijn misschien de
laatste boeken die vóór deze tijd geschreven werden.
Hebreeën 2:4
In deze passage werden de gaven gebruikt om de evangelie boodschap te
bevestigen en er wordt over gesproken als zijnde in de verleden tijd.
Over de evangelieboodschap wordt ook gesproken als zijnde reeds verkondigd.
Judas 3
Judas' "eenmaal" voor "het geloof" is een term die als
hij ergens op een andere plaats in het Nieuwe Testament wordt gebruikt,
betekent dat het niet meer zal herhaald worden. Door deze perfecte zin
voor onderricht, communicatie, aanmoediging, stichting en evangelisatie; is
de nood aan deze gave uitgeschakeld. Wanneer hield deze gaven dan op?
De dood van de laatste apostel (Johannes) betekende het einde van het
apostelschap. Niemand van hen, op wie de apostelen de handen legden,
konden deze doorgeven. Daarom, als de laatste man die de gave bezat
stierf, hielde deze automatisch op. Zo voorzag God door natuurlijke
middelen in de nodige middelen die dienden tot hun uitschakeling. God
voorzag in Zijn wijsheid dat Christus kwam, in de volheid van de tijden.
Deze boodschap, de wereld rond gepredikt, bracht de Gemeente van Christus
tot stand. De eerste Christenen die het onderricht van de apostelen
navolgden, brachten een eenheid tot stand tot verheerlijking van God : DE
GEMEENTE VAN CHRISTUS.
Efeziërs 3:20-21
C. HEDENDAAGSE TEKENEN EN WONDEREN
Het ligt voor de hand dat een man, of een groep, of een kerk die beweert
deze gaven te bezitten, aan de wereld moet tonen dat ze de volle waarheid
heeft. Als er maar enig bewijs is van ongehoorzaamheid aan de eeuwige
waarheden van het Nieuwe Testament, dan is het veilig te zeggen dat de
zogenaamde gaven niet van God zijn. Veel van deze aanspraken berusten
op overwerkte emoties van nochtans goed menende religieuze mensen.
Deze wonderen en tekenen kunnen de toets van het Nieuwe Testament niet
doorstaan. Zo moet men zich afvragen waar deze dan vandaan komen.
2 Tessalonicenzen 2:7-12
De misleidende kracht van Satan, in deze wereld, is een brutale
werkelijkheid. Men moet zo van de waarheid houden dat wij alleen naar
haar willen luisteren en haar alleen willen zoeken. De enige maatstaf
van deze waarheid in verband met God is het Nieuwe Testament. Als men
deze verlaat, betreedt men het wankele rijk van menselijke opinies en
speculaties en daar kan men helemaal niet op vertrouwen. In dit rijk
van speculaties zwaait Satan de scepter en volgen mensen andere mensen op
tot hun eigen ontgoocheling en eventuele vernietiging.
DE GAVEN VAN DE HEILIGE GEEST,
ZIJ ZULLEN OPHOUDEN
OEFENINGEN
A. VRAGEN OVER DE INHOUD :
1. Wat was de doel van de gaven van de Heilige Geest?
2. Maak een lijst van de verschillende gaven.
3. Wie mag de gaven door handoplegging doorgeven?
4. Wat was de doel om in tongen te spreken?
5. Wanneer hielden de gaven van de Heilige Geest op?
B. WAAR OF VALS?
[Zet 'W' (waar) of 'V' (vals) bij het geschikte antwoord.]
_____ 1. Men begrijpt de bewerking van de Heilige Geest alleen door
een grondig studie van het Nieuwe Testament.
_____ 2. Indien er één gave in een gemeente bestaat, moet er ook
alle gaven er ook in zijn.
_____ 3. Wonderlijke (mirakuleuze) gaven in het Nieuwe Testament
werden aan iedereen geschonken.
_____ 4. Nieuwetestamentische genezingen waren zichtbaar bewezen door
gelovigen en niet-gelovigen.
_____ 5. Men moet genoeg geloof bezitten om genezen te worden.
C. ONDERSTREEP HET JUISTE ANTWOORD :
1. De doop van de Heilige Geest :
a. Bestaat nu nog.
b. Heeft maar tweemaal plaatsgevonden.
c. Gebeurt door de handoplegging van een apostel.
d. Bewijst dat men gered werd.
2. Wonderlijke gaven van de Geest kwamen :
a. Door de doop van de Heilige Geest.
b. Door de waterdoop tot behoudenis.
c. Door de handoplegging van een apostel.
d. Worden geschonken zodat men weet dat ze gered werd.
3. Op Pinksterdag, de apostelen :
a. Spraken in werkelijke talen.
b. Wisten niet wat ze moesten doen.
c. Hadden te veel wijn gedronken.
d. Spraken verschillende boodschappen.
4. De apostelen :
a. Bezaten alle gaven.
b. Waren niet de enigen die handen mochten opleggen om de gaven te schenken.
c. Mogen alleen de mensen leren.
d. Hebben niets te maken met mirakelen.
5. De Nieuwetestamentische leer is :
a. Alleen een gids voor het leven.
b. Werd door de gemeente geschreven.
c. Geeft geen bewijs over hoe de Heilige Geest handelt.
d. Het resultaat van het bewijs van de wonderen door de Heilige Geest
bewerkt.
D. PLAATS VOOR UW EIGEN VRAGEN :
Vorige