1. Een woord vooraf
2. De Heilige Geest en de bijbel
Jezus beloofde de Heilige Geest te zenden.
De mens en het zwaard des Geestes.
3. De doop met de Heilige Geest
4. Het werk van de Heilige Geest in de bekering
5. De inwonende Geest
De Heilige Geest woont in elk christen.
Een christen is Gods tempel.
De Geest komt onze zwakheid te hulp.
Hoe werkt de Heilige Geest in een christen?
Hoe weten wij, dat de Heilige Geest
in ons woont?
6. De gaven van de Heilige Geest
De"Genadegaven" Waren van
Tijdelijke Aard
1. EEN WOORD VOORAF
(artikel overgenomen uit het blad fundament, nr 5)
Een van de grootste en diepgaanste onderwerpen
van de Bijbel is de Heilige Geest. Deze uitgave van
"Fundament" is gewijd aan het uiteenzetten' van verschillende
geopenbaarde waarheden over dit onderwerp. Wij voelen dat dit nodig is,
omdat er zoveel verwarring heerst in de godsdienstige wereld over de
Heilige Geest. Er zijn mensen, die al predikende en schrijvende beweren
geleid te zijn door de Heilige Geest, maar die
tegenstrijdige dingen verkondigen en uiteenlopende richtingen volgen,
niettegenstaande het feit dat de Geest ons vermaant: "u
te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door den band des vredes"
(Ef 4:3). De geesten van mensen kunnen tot uiteenlopende richtingen
leiden, maar Gods Geest leidt mensen niet in verschillende richtingen.
Er staat geschreven: "God is geen God van
wanorde, maar van vrede" (I Kor. 14:33).
Wij beweren niet alle antwoorden te
kunnen geven op alle vragen die mensen kunnen stellen over de Heilige
Geest, net zo min als wij beweren antwoord te kunnen geven op alle
vragen die mensen over de Vader kunnen stellen. Maar
het is zeker dat de Bijbel de antwoorden. geeft, die voor ons
belangrijk zijn, en de bedoeling van dit nummer is te wijzen naar
wat de Bijbel over de Geest openbaart en te tonen dat wij ons vertrouwen
in Gods Woord moeten stellen en niet in de onbestendige menselijke
gevoelens. Wij hopen dat dit artikel u zal aansporen om dit onderwerp verder
te onderzoeken in de Bijbel en dat het tot verduidelijking zal
dienen van een onderwerp dat voor velen moeilijk is.
Vragenlijst
2. De Heilige Geest en de bijbel
2. DE HEILIGE GEEST EN DE BIJBEL
"en neemt
den helm des heiIs aan en het zwaard des Geestes,
dat is het woord van God"
(Ef. 6:17). Uit deze door Paulus aan de gemeente te Efeze gerichte
woorden kunnen wij de verhouding zien tussen de Heilige Geest en Gods
Woord, de Bijbel. Het Woord is een "produkt" van de Heilige
Geest, het is Zijn wapen. Duidelijk volgt uit een aantal teksten van het
Nieuwe Testament, dat de Heilige Geest wordt beschouwd als de
"auteur" van de Bijbel.
Jezus beloofde de Heilige Geest te zenden.
Vóór zijn kruisdood beloofde Jezus de apostelen, dat hij de
Heilige Geest zou zenden, die hun de weg zou wijzen tot de volle
waarheid (Joh. 16: 12). Na zijn opstanding zei Hij tot de apostelen:
" gij zult kracht ontvangen, wanneer de
Heilige Geest over u komt,
en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem,en in geheel Judéa en
Samaria en tot het uiterste der aarde" (Hand. 1:8). Met
Pinksteren kwam de Geest over de apostelen en zij begonnen te spreken
"zoals de Geest hun gaf uit te spreken"
(2:4). Door de prediking van dit door de Geest geinspireerde Woord,
werden de toehoorders "diep in hun hart
getroffen" (2:37). Zó hebben de apostelen voor het eerst na
de opstanding van Jezus "het zwaard des
Geestes" gehanteerd.
Paulus, die aanvankelijk niet tot de kring der apostelen behoorde,
beweerde eveneens te spreken "met woorden,
die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn"
(I Kor. 2:13). En Petrus zegt: " want nooit
is profetie voortgekomen uit den
wil van een mens, maar, door den Heiligen Geest gedreven, hebben mensen
van Godswege gesproken" (2 Pet. 1:21).
Inspiratie betekent echter niet dat de bijbelse
schrijvers hun identiteit hebben verloren of alwetend zijn geweest.
Terwijl de Heilige Geest hen heeft bewogen tot schrijven, waren ze
niettemin vrij om te spreken met hun eigen individuele achtergrond, hun
persoonlijkheid, woordenkeus en stijl. Inspiratie was niet bedoeld om
een bron van alwetendheid te zijn noch om de schrijvers ongevoelig te
maken voor lichamelijk lijden en menselijke moeilijkheden. Ook was het
niet zo, dat het hun onmogelijk. was om te zondigen. Inspiratie beperkt
zich tot het doel, waarvoor ze gegeven werd: het op een betrouwbare
wijze bekend maken van Gods waarheid.
De mens en het zwaard des Geestes.
Wanneer wij dus de Bijbel lezen, lezen wij het door de Heilige Geest
geïnspireerde Woord van God. Door middel van dat Woord brengt de
Heilige Geest een mens tot bekering en versterkt de Heilige Geest een
christen in zijn christelijke beleving. Ook zal het mensdom door dat
Woord ten jongsten dage geoordeeld worden. Jezus leert: "Wie
Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt:
het woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage"
(Joh. 12:48). Dat Woord is, volgens de schrijver van het Hebreeënboek:
"Levend en krachtig en scherper dan enig
tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt
ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en
gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle
dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij
rekenschap hebben af te leggen" (4:12-13).
Zou het niet veel beter zijn om gehoor te geven aan Gods Woord, de
Bijbel, vóór die grote en geduchte dag aanbreekt, vóór het zwaard
des Geestes op die dag alle overleggingen en gedachten van ons hart, al
het verborgene, open en bloot zal leggen vóór de ogen van Hem, aan wie
wij rekenschap hebben af te leggen?
Vragenlijst
3. De doop met de Heilige
Geest
3. DE DOOP MET DE
HEILIGE GEEST
Wanneer wij dit onderwerp aan de hand van Gods
Heilig Woord willen belichten, dienen wij er rekening mee te houden, dat
er geen begripsverwarring ontstaat.
Vaak gebeurt het dat mensen sprekend over deze materie langs elkaar heen
praten en bv denken aan de 'geestes-gaven' of aan de 'gave van de Geest'
bij de wedergeboorte zoals van de 3000 op de Pinksterdag (Hand. 2: 38-39).
We vinden lezend in het Nieuwe Testament maar twee gevallen waarvan er
sprake is van de "doop met de Heilige Geest". Deze
"doop" is de meest geweldige manifestatie van de Geest in het
tijdperk van de vroege gemeente.
De eerste verwijzing naar deze uitstorting van de goddelijke kracht
over de mens werd gegeven door de profeet Joël (Joël 2:28).
Deze vorm van doop werd ook aangekondigd door de 'heraut' en
'wegbereider' Johannes de Doper in Matth. 3:11 e.a. Ook Jezus zelf
beloofde dit voor Zijn hemelvaart aan zijn apostelen (Hand.1:5 en Joh.
14:16).
Hierbij dient te worden opgemerkt, dat noch in het Oude noch in het
Nieuwe Testament de doop met de Heilige Geest een gebod was maar een
"belofte".
Zoals reeds gezegd vinden we maar twee voorbeelden van die doop. De
profetieën en beloften met betrekking tot deze doop gingen in
vervulling aan de apostelen op de Pinksterdag (Hand. 2: 1-4) en daarna
aan de "heidenen van de huishouding van Cornelius" (Hand.
10:44-46; Hand. 11:15-16). Dus zowel Jood als Heiden werden gedoopt met
de Heilige Geest. Op deze wijze ging Joëls profetie in' vervulling toen
hij door Gods Geest geleid voorspelde dat de Geest zou worden uitgestort
op "alle vlees".
Gezien deze beide gebeurtenissen mogen wij tot de conclusie komen dat
deze wijze van uitstorting van Gods Geest op de mens een speciale en
buitengewone bedoeling had.
Het doel van de doop met de Heilige Geest met betrekking tot de
apostelen lijkt tweeledig.
Ten eerste stelde Gods Geest hen op deze wijze in staat te prediken aan
de gehele wereld, maar alvorens zij dat konden, hadden zij eerst de
Geest nodig die hen zou leiden tot de 'Volle waarheid'. Het was Jezus
zelf die hen dit beloofd had in Johannes 16:7-15.
Ten tweede ontvingen zij de bekwaamheid om in tongen te spreken, daarmede
de toehoorders het bewijs leveren,de dat zij van Godswege
spraken. De apostelen maakten van deze krachten gebruik om mensen te
overtuigen, dat wat ze zeiden werkelijk van God afkomstig was (Mark.
16:20: Hand. 2:43 en Hebr. 2:4).
De doop met de Heilige Geest van de leden van de huishouding van
Cornelius had ook een zeer speciale bedoeling. Het feit dat deze
heidenen in staat waren in tongen te spreken was voor Petrus en de
andere Joden een teken dat God ook deze heidenen in Zijn Koninkrijk
accepteerde. Toen Petrus deze uitstorting zag, getuigde hij dat er bij
God geen aanneming des persoons is (Hand. 10:34). Duidelijk komt echter
in zijn verhaal naar voren dat deze ervaring ook voor hem geheel nieuw
was gezien zijn woorden: "En toen ik begonnen
was te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals in het begin op
ons" (Hand. 11: 14). Indien dit een gewone ervaring van elke
bekeerling was geweest, zou Petrus deze woorden niet gesproken hebben.
Dan zou hij gezegd hebben, "evenals op allen, die tot bekering
gekomen zijn". Maar, omdat dat niet het geval was, gingen zijn
gedachten terug naar die andere keer in zijn leven toen hij zo iets
meegemaakt had. Op Pinksterdag waren er twee dopen: de doop met de
Heilige Geest en de waterdoop. Cornelius en zijn huis werden tweemaal
gedoopt, eerst met de Heilige Geest en daarna met water (Hand. 10:47).
De belofte met betrekking tot de doop
met de Heilige Geest was in vervulling gegaan. Na deze gebeurtenissen
uit Handelingen 10, vinden we geen enkel ander voorbeeld meer van een
dergelijke doop. Wel blijkt uit diverse passages
zoals Mark. 16:16 en 1 Petr. 3:21 duidelijk dat de
waterdoop deel uitmaakt van de wedergeboorte en daarom noodzakelijk is
tot zaligheid. Helaas zijn er vele groeperingen,
dic beweren aan de hand van datzelfde Gods Woord, dat de waterdoop
absoluut niet noodzakelijk is tot behoud en zij halen daarvoor b.v.. aan
dat de apostel Paulus eerst door handoplegging de Geest ontving om
daarna gedoopt te worden (Hand. 9: 17-18)., Ook merkt men wel op, dat
water niet in staat is zonden weg te wassen, maar dat Petrus de doop
ziet als een bede van cen goed geweten tot God (I Petr. 3:21). Graag wil
ik op deze laatste tekst amen zeggen, maar de de argumenten houden
absoluut geen steek.
Ten eerste mogen wij niet zomaar aan een volgorde van handeling een bepaalde
prioriteit verbinden, in de zin van: Hij ontving eerst de Geest en
daarna, de doop; dus is de doop niet absoluut noodzakelijk. Zoiets heeft
niets meer met exegese te maken.
Ten tweede dienen wij, wanneer wij geloven dat de Bijbel Gods
geopenbaarde Woord aan mensen is, dat Woord in zijn volheid te laten
spreken, zodat onze uitleg niet door één of andere tekst wordt
weersproken. Wanneer wij dan ook zouden zeggen, dat de doop door
onderdompeling niets met onze redding te maken heeft, dan komen wij in
ernstig conflict met het gegevene in 1 Petrus 3:21 waar geschreven
staat: " terwijl de ark in gereedheid werd gebracht,
waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden."
Waarin werden deze acht gered? Door middel van de
ark! Natuurlijk ligt achter deze gebouwde ark het geloof van Noach,
anders had hij Gods opdracht in de wind geslagen, maar het heeft God
behaagt Noach door middel van deze ark te redden.
Waarom God het zo gedaan heeft? Waarom niet op een andere manier, dat
had toch ook best gekund? God is de Almachtige, de Alwetende, in Zijn
genade gaf Hij deze ark aan Noach. Petrus gebruikt dit beeld en zegt:
"Als tegenbeeld daarvan (de ark) redt u thans
de doop, die niet is een afleggen... enz." Nu
kunnen we gaan argumenteren, maar laten we liever zeggen amen! Laten we
ons verootmoedigen en ons buigen voor dat Woord in plaats van steeds
maar weer dat Gods Woord discutabel stellen.
Laten we met de jonge Samuël zeggen: "Spreek
Here, want uw knecht hoort! "
Vragenlijst
4. Het werk van de Heilige Geest
in de bekering
4. HET WERK VAN DE
HEILIGE GEEST IN DE BEKERING
Gods Geest is nu net zo betrokken bij het "herscheppingswerk"
door het evangelie als Hij was met het scheppingswerk in Genesis. Nadat
de mens zijn harmonische relatie met God had verbroken in de hof van
Eden door te zondigen, was het steeds nodig dat hij luisterde, naar wat
de Heilige Geest te zeggen had over de verzoening met God. Helaas zit
het gehoorgeven aan Gods Geest niet in de natuurlijke aard van de mens.
Stefanus zei tot zijn toehoorders: "...gij
verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij"
(Hand. 7:51). Wij weten dat heel de Godheid nog werkzaam is bij de
bekering, want Jezus zei: "Mijn Vader werkt
tot nu toe en Ik werk ook" (Joh. 5:17), en niet te vergeten
is "de vernieuwing van de Heilige Geest"
(Tit. 3:5).
De God van hemel, aarde, mensen en alles wat goed is, heeft zich te
allen tijde geopenbaard aan zijn hoogste schepping op aarde- de
mensheid. De Bijbel steunt de deisme noch existentialisme, maar
integendeel, heeft God altijd direct of indirect tot de mens gesproken
(Gen. 3:9; Hebr. 1:1-2). Kenmerkend is, dat "nooit
is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de Heilige
Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken" (1
Petr. 2:20-21).
Nu is de vraag: welk actief deel heeft de Heilige Geest in de bekering?
In eerste instantie leerde Jezus dat na zijn hemelvaart Hij de Trooster
nl. de Geest der Waarheid zenden zou van de Vader en Hij zou van Jezus
getuigen (Joh. 15:26- 27). In het volgende hoofdstuk van het Johannes
evangelie leren wij dat de Trooster de wereld zou
"overtuigen van zonde en van gerechtigheid en
van oordeel". Hij zou dat doen omdat de overste van deze
wereld is geoordeeld. Bovendien, beloofde Jezus dat de Heilige Geest de
apostelen "de weg (zou) wijzen tot de volle
waarheid". Zo waren de apostelen van Jezus uitgerust met
wonderbaarlijke inspiratie van de Heilige Geest om de waarheid te
verkondigen. In Handelingen twee kunnen wij lezen hoe Petrus (met de
elven) deze leiding van de Geest gebruikte en tevens ook Paulus (Hand.
24: 24-25).
Wij merken hier op dat God beloofd had zijn Geest uit te storten op alle
vlees (Matth. 3:11). Op de Joodse feestdag (Pinksteren) kwam de
uitstorting van de Heilige Geest op aarde in een nieuwe hoedanigheid en
als vervulling van de belofte dat Hij ons niet achter zou laten als
wezen (JoëI2:28; Joh. 14:18 en Hand. 2:1-36). Van toen aan zien wij dat
de apostelen, vervuld met de Heilige Geest, uitgingen (Hand. 1:8) , het
evangelie verkondigden, en door hun handen geschiedden vele tekenen en
wonderen onder het volk (Hand. 5: 12). Al was en bleef het doen van deze
tekenen en wonderen beperkt tot de apostelen (en een aantal andere leden
van de gemeente in de eerste eeuw, zie I Cor. 12: 4-31), toch na deze
uitstorting krijgt iedereen die God gehoorzaam is de inwoning van de
Heilige Geest (Hand. 5:32). De bekering is niet voltooid zonder de
wedergeboorte en die handeling houdt het ontvangen van de Geest in. I
Corinthiërs 12:13 vult Johannes 3:3-5 aan en laat ons zien dat wanneer
wij ons laten dopen, de Geest in ons komt wonen en ons deelachtig maakt
aan het éne lichaam van Christus, de gemeente (Kol. 1:18). De zinsnede:
"want door één Geest zijn wij allen tot
één lichaam gedoopt" (I Cor. 12: 13c), steunt de gedachte
niet dat ieder kind van God wonderen door de Geest zou kunnen
verrichten; integendeel, allen die de Geest ontvangen hebben, behoren
tot het éne lichaam.
Verder leert Paulus dat Gods kinderen met de Geest vervuld worden (vgl.
Eph. 5: 18), waardoor zij hun talenten leren te gebruiken voor God en
niet in bandeloosheid vervallen. Wat iedere Christen wel moet doen is de
vrucht van de Geest dragen, welke is: "liefde,
blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid,
trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing" (Gal. 5: 22-23). '
Als wij de werking van de Heilige
Geest nagaan in de gevallen van bekering, ontdekken wij dat Hij
omstandigheden heeft begeleid om verlorenen in contact te brengen met
een evangelist. Het is opvallend dat de Heilige Geest de weg tot behoud
(waaronder de bekering) nooit direct aan een zondaar heeft
bekendgemaakt. Neem het geval van de rijksgrote van Candace, beschreven
in Handelingen 8, waar zowel een engel des Heren (vers 26) als de Geest
(vers 29) tot Philippus, een evangelist, spraken om hem te begeleiden
naar deze zoekende zondaar om hem Gods wil beter te leren begrijpen.
Denk aan Jezus' belofte "wie zoekt, vindt"
en denk aan het feit dat de engel noch de Geest deze kamerling tot
bekering bracht. Het was door middel van het gepredikte evangelie door
Philippus, die hem de weg tot Christus duidelijk wees. Ook bij de
bekering van Lydia (Hand. 16) zien wij dat, na zij het gepredikte woord
van Paulus gehoord had, haar hart geopend werd door de Heer. Eigenlijk
zijn er geen gevallen in de Bijbel waar een verlorene de evangelie
boodschap tot bekering direct van de Heilige Geest of een engel kreeg;
dat geschiedde altijd door mensen, die het Woord der waarheid predikten
(I Cor. 1:18-25; 2 Cor. 4).
De Bijbel is feitelijk een geschenk van God aan de mens, voortgebracht
door de Heilige Geest. Hij is Gods geopenbaarde wil aan de mens, en
slechts daarin kunnen wij er achter komen wat wij moeten doen om tot
bekering te komen. De Heilige Geest maakt Gods Woord levend en krachtig
in ons, mits wij geloven (Hebr; 4:12). Daarom zei Jezus dat het zaad van
het Koninkrijk het woord van God is (Lucas 8:11). Dit geschiedt evenals
bij een tarwe zaadje dat een levend kiempje in zich moet hebben om nieuw
leven voort te kunnen brengen.
Bekering betekent een verandering van onze houding t.a.v. een zondig
leven om eigendom van God te worden. Jezus leert dat wij ons moeten
bekeren en het Koninkrijk als een kind aanvaarden, "want
voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen" (Mark
10:13-16). Hij zei tot Nicodemus: "tenzij
iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods
niet binnengaan" (Joh. 3:5). Voorafgaand aan de bekering
moet er een persoonlijk geloof zijn en dat kan slechts komen "door
het horen van het woord van Christus" (Rom. 10:17). Op dit
punt echter is het belangrijk te vermelden dat een verstandig geloven,
noch volledige kennis, voldoende is om God
welgevallig te zijn. Het hart speelt bij de bekering een noodzakelijke
rol, zoals Paulus zegt "want met het hart
gelooft men tot gerechtigheid" (Rom. 10:8-10). Bijbelse
bekering houdt dan ook in God liefhebben boven allen en alles en ook het
vertrouwen stellen in Jezus als de Verlosser. Nicodemus is een treffend
voorbeeld hiervan. Hij wist dat Jezus van God afkomstig was "want
niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God met Hem is"
(Joh. 3:2). Jezus ging er niet op in over Zichzelf te spreken, maar
antwoordde hem dat hij meer moest doen dan weten wie Hij was. Jezus zei
tot tweemaal toe dat Nicodemus herboren moest worden, doelende op een
totale overgave aan God (Joh. 3:7; Gal. 2:20). Jezus haalde de woorden
van Jesaja aan (Matth. 13:14- 15) om duidelijk te laten zien dat, tenzij
wij ons hart aan God geven, het niet goed gaat met ons geloofsleven. Ook
in Mattheus 22:36-37 treedt naar voren dat hart, ziel en verstand nodig
zijn wanneer iemand zich aan God overgeeft. Ook de geschiedenis van de
bekering van de 3000 op Pinksterdag is nog een voorbeeld hiervan. De
schare hoorde het evangelie door Petrus (en de elven) en 3000 vroegen
wat zij moesten doen (om vergeving van hun zonden te krijgen). Als
antwoord hoorden zij: "Bekeert u en een ieder
van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot. vergeving van
uw zonden, en gij zult de gave des Heilige Geestes ontvangen"
(Hand. 2:37 v.v.). Degenen, die het woord aanvaardden, lieten zich dopen
en op die dag werden zij toegevoegd aan de gemeente en ontvingen de gave
van de Heilige Geest als onderpand van hun erfenis (zie ook Eph.1:13-14).
In een opsomming van deze materie zien wij dat God ons op een
wonderbaarlijke wijze voorzien heeft van de Bijbel. Gods woord is
levend, want Gods Geest werkt daardoor om een ieder die gelooft tot
bekering te brengen. Daar er bij God geen aanziens des persoons is, kan
iedereen (OOK U) door het geschreven Woord (Joh. 6:63; 12:48) Gods wil
leren om zich te bekeren. De weg naar God toe vraagt ons onze liefde tot
Hem te tonen, omdat Hij zulk een grote liefde daad bewees door het
vervangende offer van zijn zondeloze Zoon om ons zondige mensen met Hem
te verzoenen. Dit gebeurt door geloof in Jezus als Gods eniggeboren Zoon
en dit te belijden dat wij ons bekeerd hebben en ons te laten dopen
(onderdompelen) in de naam van Jezus Christus tot vergeving van onze
zonden. Na de weg tot Christus gevonden te hebben
en bekeerd te zijn, voegt de Heer ons toe aan zijn gemeente en zijn wij
"bekeerden van Christus" in de ware zin van het Woord.
Vragenlijst
5. De inwonende Geest
5. DE INWONENDE GEEST
Ruim drie jaar was Jezus met zijn discipelen
opgetrokken. Ze hadden lief en leed met elkaar gedeeld en hadden samen
vele intieme belevenissen meegemaakt. Nu was de
tijd aangebroken, dat ze afscheid van elkaar moesten nemen. Jezus viert
met de zijnen, het laatste avondmaal. Er heerst een trieste stemming,
want Jezus heeft hun verteld, dat hij tot de Vader zou gaan (Joh.
14:12).
Jezus geeft hun echter een troost. Hij zal ze niet als wezen achterlaten
(Joh. 14:18). Hij zal iemand aanwijzen die zijn plaats zal innemen, als
hij van hen zal zijn heengegaan. Wie zal dat zijn?
Een van de vooraanstaande discipelen misschien? Petrus of Johannes?
Neen, de liefde van Christus reikt veel verder. Niet een mens zal zijn
plaats innemen, maar de Hetlige Geest, die op een zeer bijzondere wijze
één is met Jezus. De Heilige Geest komt namelijk voort uit de Vader en
uit Jezus als Diens Zoon. Daarom zegt Christus: "Ik
kom tot u" (Joh. 14:19).
In de Statenvertaling en ook in de vertaling van het Nederlandsch
Bijbelgenootschap leest men: "De Vader zal u
een andere Trooster geven" (Joh. 14:16), Dat woord
"Trooster" is eigenlijk een te beperkte weergave van het
Griekse "parakletos." Letterlijk betekent dit: "de erbij
geroepene". De Heilige Geest is dus de plaatsbekleder van Christus
op aarde, de andere Parakleet, de "Erbij-geroepene". Hij is de
Geest der waarheid, die de apostelen van Jezus niet alleen zal troosten
maar hun ook "alles (zal) leren en te binnen
brengen" wat Jezus gezegd heeft (Joh. 14:26; zie ook
16:12-15).
De Heilige Geest woont in elk christen.
Onder leiding van deze
"Erbij-geroepene" gingen de apostelen op de eerste Pinksterdag
na de dood van Jezus het evangelie van een
gekruisigde en opgestane Christus prediken. Aan degenen, die dit
evangeliewoord tot zich namen, werd verteld: "Bekeert
u en een ieder van u late zich dopen op den naam van Jezus Christus, tot
vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes
ontvangen" (Hand.2:38). Elke christen ontvangt dus bij zijn
doop de inwonende Heilige Geest, de Trooster, de
"Erbij-geroepene". Anders gezegd, de Heilige Geest woont in
allen, die behouden zijn. Nog anders gesteld: God geeft de Heilige Geest
aan hen, die hem gehoorzaam zijn (Hand. 5:32). Heeft een mens de
inwonende Geest niet, dan behoort hij Christus niet toe (Rom. 8:9-10).
Een christen is Gods tempel.
De Heilige Geest komt dus in ons
wonen, wanneer we christen worden. Het lichaam van de christen is een
tempel van de Heilige Geest (I Kor 6: 19; vgl. 3:16). Gods Geest is op
deze aarde om in ons lichaam, de tempel Gods te wonen. Het Griekse woord
voor tempel betekent "de woonplaats van de Godheid". De
christen wordt dus gastheer van een koninklijke en heilige
"Gast".
Omdat het lichaam van de christen een tempel van de Heilige Geest is,
moet het worden rein gehouden (6:19). Het is merkwaardig, dat het Nieuwe
Testament voor de letterlijke tempel van God, die in die tijd in
Jeruzalem stond, twee woorden gebruikt. Het Griekse woord hieron
heeft betrekking op de hele tempel. terwijl het woord naos bijna
uitsluitend gebruikt wordt in verband met het heilige der heiligen
binnen in de tempel. Daarin heeft God namelijk gedurende het
oudtestamentische bestel "gewoond". (Zie Ex. 25:21; 40:34-35:
en I Kon. 8:6-11). Wanneer Paulus nu over de individuele christen als
een tempel spreekt. dan gebruikt hij altijd het woord naos, hiermee
aangevend dat de christen Gods heilige plaats is het heilige der
heiligen waarin hij door/middel van zijn Geest woont.
De Geest komt onze zwakheid te hulp.
Een christen is iemand die in de hoop op het eeuwige leven moet
volharden. Dit wordt vaak als een moeilijke opdracht ondervonden.
De Geest helpt een christen in diens verwachtingen te volharden. Paulus
zegt: "En evenzo komt de Geest onze zwakheid
te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de
Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij,
die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk
naar de wil van God voor heiligen pleit. Wij weten nu, dat (God) alle
dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die
volgens zijn voornemen geroepenen zijn" (Rom. 8:26-28). Een
christen heeft dus Iemand, die voor hem pleit.
Ook beïnvloedt de Geest, die in ons woont, ons leven. Onze gezindheid
en manier van leven worden veranderd van vleselijk tot geestelijk:
"Want indien gij naar het vlees leeft, zult
gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams
doodt, zult gij leven. Want allen, die door den Geest Gods geleid
worden, zijn zonen God" (8: 13-14). De Geest helpt ons de
"werkingen des lichaams" te
doden. "Het is duidelijk, wat de werken van
het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij,
veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht.
partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke..."
(Gal. 5: 19-21). De Geest helpt ons deze zonden te overwinnen en brengt
in ons leven vruchten voort. "De vrucht van
de Geest is liefde,' blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid,
goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen
is de wet niet. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met
zijn hartstochten en begeerten gekruisigd" (Gal. 5:22-24).
De inwonende Geest heeft dus betrekking op onze manier van leven. Hij
houdt zich bezig met ons en met de dingen, die er met ons gebeuren. Hij
helpt ons in onze strijd tegen de zonde en hij laat ons groeien in Jezus
Christus. Hij helpt met andere woorden ons de tempel Gods rein te
houden.
Hoe werkt de Heilige Geest in een christen?
Er bestaat een nauw verband tussen de Heilige Geest en Gods Woord,
de Bijbel. Paulus beschrijft het Woord van God als "het
zwaard des Geestes" (Ef. 6:17). Wij zouden de Geest dus als
de "auteur" van het Woord kunnen beschouwen, want, zegt
Paulus: "God
heeft het ons geopenbaard door den Geest" (I Cor. 2:10).
Sommige christenen geloven, dat de Heilige Geest slechts in ons werkt
door middel van het Woord, dat hij heeft geopenbaard. Wanneer wij dat
Woord in ons hart niet hebben opgeborgen, blussen wij de Geest uit.
Anderen zien de Geest als Iemand die apart staat van het Woord en die
dat Woord voor de christen verklaart en levend maakt. Zoals wij een
verschil zien tussen een soldaat en zijn zwaard, moeten wij ook een
verschil zien tussen de Geest en zijn zwaard, het Woord. Zo legt men
gewoonlijk deze zaak uit.
Hoe men het verband tussen Geest en Woord ook ziet, ik wil er beslist
aan toevoegen, dat de Heilige Geest zichzelf nooit tegenspreekt. Hij
gaat geen volkomen nieuwe dingen zeggen of openbaren. Hij houdt zich aan
het Woord Gods, de Heilige Schrift, en daardoor leidt Hij de christen in
diens leven.
In twee overeenkomstige teksten laat Paulus het nauwe verband zien
tussen de Geest en Diens Woord:
1) "Wordt vervuld met den Geest"
(Ef. 5: 18);
2) "Het woord van Christus wone rijkelijk in
u" (Kol. 3:16).
Hieruit kunnen wij opmaken, dat de Geest in ons werkt en woont naarmate
wij het Woord van Christus in ons Iaten wonen. Gods Woord is ons gegeven
om geleerd te worden. Dit kost tijd en inspanning, maar het moet
niettemin gedaan worden. Dat christenen onderwezen moeten worden is een
feit dat door Christus, de apostelen en de gemeenten, waarover wij in
het Nieuwe Testament lezen, als een vanzelfsprekend beginsel werd gezien.
Men moet na zijn doop onderwezen worden (Matt. 28:19; Hand. 2:42). De
brieven van het Nieuwe Testament werden aan de gemeenteleden geschreven
om hen te leren (2 Timotheüs 3:16).
Iedereen, die de leiding van de Geest zoekt, moet elke gelegenheid
gebruiken om meer uit het Woord Gods te leren.
Hoe weten wij, dat de Heilige Geest
in ons woont?
We zijn ons bewust van de aanwezigheid van de
"Erbij-geroepene" in ons, niet vanwege gevoelens die wij niet
kunnen beschrijven, maar omdat de Bijbel zegt dat de Geest in ons woont
en omdat wij Zijn werking in ons leven meemaken: namelijk de vrucht
van de Geest. Deze openbaring van Gods Woord, dat de Geest in ons woont,
aanvaardt de christen in geloof (Rom. 8:16). Paulus zegt dat wij deze
belofte van de Geest door geloof . ontvangen (Gal.
4:14). Zoals iemand weet dat zijn zonden zijn vergeven - namelijk door
een volkomen geloof in Gods Woord en beloften - zo ook weet men of men
de Geest Gods in zich heeft.
Wat is het fijn als wij iemand ontmoeten, die ons daadwerkelijke hulp
kan bieden. In diepste wezen zijn wij toch allen hulpbehoevende
schepselen. De Heilige Geest is niet slechts een invloed, een werking,
iets ongrijpbaars. Neen, Hij is een Persoon, een Trooster, de
"Erbij-geroepene", die ons te hulp komt. Kent u de Heilige
Geest als uw persoonlijke Helper?
Vragenlijst
6. De gaven van de Heilige Geest
6. DE GAVEN VAN DE HEILIGE GEEST
De uitdrukking "de
gave van de Heilige Geest" heeft betrekking op de Heilige
Geest als een gave. (Hand. 2:38). De Geest wordt aan iedereen gegeven,
die het evangelie gehoorzaamt (Hand. 5:32; 1 Cor. 6:19- 20; Rom. 8:9).
Deze inwonende Geest helpt ons de "vrucht"
van de Geest te dragen en is een grote steun in het leven van een
godvruchtig mens, maar Hij geeft ons geen wonderbaarlijke gaven.
De woorden "pneumatikos charismata" duiden wonderbaarlijke
gaven aan, die door de Geest gegeven werden. Zij waren speciale gaven
voor de jonge gemeente en worden niet meer gegeven. Zij werden slechts
op twee manieren ontvangen:
(1) De doop van de Heilige Geest;
(2) De handoplegging der apostelen.
De"Genadegaven" Waren van Tijdelijke Aard
De doop van de Heilige Geest
De doop van de Heilige Geest is slechts twee keer voorgekomen: (1)
op Pinksterdag, toen de twaalf apostelen door de Geest gedoopt werden;
(2) toen het huis van Comelius de "gelijke gave" ontving.
De woorden van Efez. 4:5, "er is... één
doop", bewijzen, dat de doop van de Heilige Geest niet meer
gegeven wordt. Toen Paulus die woorden beschreef, bestond er slechts
één doop. De woorden van Petrus in Handelingen 11:15 " viel
de Heilige Geest op hen, evenals
in het begin ook op ons" bewijzen, dat een dergelijke
uitstorting van de Geest niet tussen Pinksterdag en de bekering van
Cornelius had plaatsgevonden. Door de doop van de Heilige Geest konden
de apostelen en Cornelius in tongen spreken, maar die doop bestaat niet
meer. Deze genadegaven dienden om het woord aan ons te openbaren en
bevestigen. Nu hebben wij het woord. Daar ging het om. Daar gaat het om.
Dat woord is levend en krachtig om ons te redden en te bewaren in
Christus. Laat ons gebruik maken van deze gave Gods.
|
|