VI Identiteit van Jezus "Wie is toch Deze,
dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?"
(4:35-6:6)
4:35 En
op de zelfde dag, toen het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat
ons overvaren aan de andere zijde.
“Toen
Jezus een schare rondom Zich zag, beval Hij te vertrekken naar de overkant,
… En toen Hij
in het schip ging, volgden zijn discipelen Hem”
Matt 8:18,23. Nadat Jezus de hele dag tot de schare had gesproken in
gelijkenissen wildeHij naar de andere kant van het meer gaan, waarschijnlijk
om uit te rusten na een vermoeiende dag.
4:36 En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mee, gelijk Hij in het
schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
Jezus leerde
regelmatig vanuit Petrus’ boot (Luk 5:1-3). Dit voorbeeld van Petrus om
zijn bezittingen te gebruiken om de zaak van Christus te dienen moet een les
zijn voor ons. Dat we onze bezittingen, tijd en moeiten gebruiken voor Gods
werk!
4:37 En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het
schip, alzo dat het nu vol werd.
“En zie, er kwam een grote onstuimigheid op de zee, zodat de
golven over het schip sloegen”
Matt 8:24, “en terwijl
zij varende waren, viel Hij in slaap. En er sloeg een stormvlaag neder op
het meer en zij kregen water in en verkeerden in nood” Luk 8:23. Lukas spreekt over een wervelstorm/orkaan, waar
Matteus zegt dat de bewegingen zo hevig waren als een aardbeving. Het was zo
erg dat het schip volliep en ze in levensgevaar verkeerden. De Galilese zee
ligt ongeveer een 210 meter onder de Middellandse Zeespiegel. Over een
afstand van 16 km heeft de Jordaan vallei een verval van 210 meter vanaf het
Hermon gebergte, waardoor de warme lucht boven
het meer als een magneet werkt voor de stormwinden die in de hoger
gelegen gebieden woedden.
4:38 En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen, en zij wekten
Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?
Jezus, was in het achterschip in slaap gevallen, uitrustende van zijn arbeid
(vgl 1 Kon 18:27-29). Zelfs de discipelen die vissers waren, en dus het één
en ander gewoon waren op zee, waren zeer beangstigd door de felheid van de
storm. “Zij kwamen en
maakten Hem wakker en zeiden: Here, help ons, wij vergaan!” Matt 8:25. Gevoelens van depressie, eenzaamheid,
frustratie en onmacht wekken de perceptie op bij de mens dat God het niet
ziet en er zich niets van aantrekt. Vgl Hebr 4:15-16; Matt 28:20; Hebr
13:5-6; Rom 8:15; 1 Petr 5:7.
4:39 En Hij opgewekt zijnde, bestrafte de wind, en zeide tot de zee: Zwijg,
wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
Jezus bestrafte de wind tot stilheid (vgl Nah 1:3-5). “Toen
stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil” Matt 8:26. Jezus sprak een woord en de wind ging liggen (vgl
Gen 1-2; Joh 1:1). Dat de wind en de zee hem gehoorzaam zijn, bewijst de
Godheid van Christus (Kol 1:16; Hand 4:24).
4:40 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen
geloof?
“En Hij zeide tot hen:
Waar is uw geloof?” Luk
8:25, “waarom zijt gij
bevreesd, kleingelovigen?”
Matt 8:26. De velen wonderen die Jezus reeds voor hun ogen had gedaan had
hen moeten geruststellen ipv onrustig te maken. Ze moesten vertrouwen ipv
twijfelen, want Jezus was bij hun. David zegt het met deze woorden “Hij
oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natien in rechtmatigheid.
Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van
nood. Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit
verlaten wie U zoeken, o Here”
Psalm 9:8-10. De discpelen moesten leren om niet op het zicht, noch het
tastbare te zien, maar ze moesten wandelen in geloof (Jes 55:8-9). De angst
en het ongeloof maakten hen onbruikbaar voor het werk van de Here.
Vertrouwen in de goedheid en in de kracht van de Here is de beste remedie
tegen de stormen in het leven, “aan
wie standvastig is, geeft u, Heer, vrede, ware vrede; want op u stelt hij
zijn hoop” Jes 26:3 GNB.
4:41 En zij vreesden met grote vrees, en zeiden tot elkander: Wie is toch
Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?
De Almacht van Christus en hun eigen ongeloof boezemden de discipelen grote
vrees in. Het wonder dat ze hadden zien gebeuren had hen met verwondering en
ontzag gevuld. Zo zegt Prediker “de
vreze des Heren is het begin der wijsheid”
Pred 9:10, “door de
vreze des Heren wijkt men van het kwaad”
Pred 16:6, en “in de
vreze des Heren ligt sterke gerustheid”
Pred 14:26.
5:1 En zij kwamen over op de andere
zijde van de zee, in het land der Gadarénen.
Nadat
Jezus de storm had gestild kwamen ze aan in het land der Gadarenen,
of “in het land der
Gergesenen” Matt 8:28
(SVV), of anders gezegd voeren ze “naar het land der Gerasenen” Luk 8:26. Het is mogelijk dat het gebied werd vermeld naar de
streek waar ze aan land gingen (Gergesa), of naar de plaatselijke benaming
van de dichtst bijzijnde stad (Gadara), of naar de de bekendste stad
(Geresa) van het gebied.
5:2 En toen Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de
graven, een mens met een onreine geest
Uit het schip gekomen komt er onmiddellijk een mens met een onreine geest,
in 5:15 een bezetene genoemd, naar
Jezus. Deze vertoefde in de graven omdat hij niet meer geschikt was om in de
maatschappij mee te draaien. Deze graven situeerden zich veelal in de rotsen
en zijn in onze tijd nog steeds zichtbaar. Matteus spreekt over 2 bezetenen
(Matt 8:28), maar Lukas net als Markus focussen zich op één ervan. De man
was bezeten door een onreine geest, dwz een geest die zich niet aan het
gezag van God onderwierp. Deze geest is een entiteit hoger dan mensen maar
lager dan God, een gevallen engel.
5:3 Die zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs
niet met ketenen.
De gevolgen van de bezetenheid verschilde blijkbaar van mens tot mens. Deze
had “sinds lang geen
mantel meer aan en woonde niet in een huis” Luk 8:27. Markus zegt ons dat niemand in staat was hem te
bedwingen, zelfs niet met kettingen. Matteus zegt over deze bezetenen dat ze
“zeer gevaarlijk”
waren, “zodat niemand langs die weg kon voorbijgaan”
Matt 8:28. Dat is de reden waarom hij niet meer onder de mensen kon leven,
omdat hij gevaarlijk was en geen kleren meer droeg.
5:4 Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden
geweest, en de ketenen waren door hem in stukken getrokken, en de boeien
verbrijzeld, en niemand was machtig, om hem te temmen.
Zij die om hem gaven hadden reeds meerdere keren geprobeerd om hem te
helpen, maar de kracht van deze bezetene was bovennatuurlijk want er was
geen ketting sterk genoeg om hem te bedwingen. “Want menigmaal had de geest hem met geweld medegesleurd, en om
hem te bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de
boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven”
Luk 8:29. Hij was dus een angst voor de hele streek en een bedreiging voor
allen die hem passeerden.
5:5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de
graven, roepende en slaande zichzelf met stenen.
De bezetene werd dag en nacht zowel lichamelijk als geestelijk gekweld door
de onreine geest. Het was een toestand die hij zelf niet onder controle had
en waar hij niets aan kon doen. De worsteling van deze man tegen de boze
geesten maakten hem wanhopig dat hij het uitschreeuwde en zichzelf zwaar
verwondde met stenen.
5:6 Toen hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.
Hoe vernederend voor
satan en zijn engelen (Opb 12:7-9), dat ze gedwongen de meerdere in Jezus
moesten erkennen en dat wanneer Jezus komt ze zich uit angst voor Zijn Macht
voor zijn voeten neerwerpen. Zo machtig als de boze geest zich eerst
manifesteerde in deze mens, zo klein is hij bij Jezus. Zo zegt Jacobus “Gij
gelooft, dat God een is? Daaraan doet gij wel, maar dat geloven de boze
geesten ook en zij sidderen”
Jak 2:19. Vgl Psalm 66:3; 72:9. Maar deze aanbidding kwam niet voort uit
liefde voor het goede, noch uit liefde voor God, maar uit angst voor wat er
stond te gebeuren.
5:7 En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen,
Jezus, Gij Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij
niet pijnigt!
Dat deze bezetenheid meer was dan een medische kwaal blijkt uit de woorden
die deze onreine geest spreekt. Hij wist wie Jezus was, dat Hij de zoon van
de Allerhoogste God was. En hij wist dat Jezus de macht had om hem te
pijnigen. Hoewel zijn bestaan erop was gericht om de bezetene te kwellen,
wilde hij zelf niet gepijnigd worden. Hij stelt Jezus de vraag “zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?”
Matt 8:29. “Ik smeek U”
(Luk 8:28) zei hij tegen Jezus opdat Jezus Zich door een eed ertoe zou
verbinden om hem niet te pijnigen. Vgl Jud 6; 2 Petr 2:4; Matt 25:41. Zie
ook commentaar op Markus 1:23-26.
5:8 (Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van de mens!)
De reden waarom de boze geest de voorgaande woorden sprak was omdat Jezus
hem had geboden om van de mens uit te gaan. (Vgl Hand 16:18)
5:9 En Hij vroeg hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn
naam is Legio; want wij zijn velen.
Jezus stelde deze
vraag niet voor zichzelf, maar om Zijn Macht te tonen aan Zijn discipelen.
Legioen staat voor een groep van vier tot zevenduizend soldaten in het
Romeinse leger (doorheen de tijd verschillen de aantallen). “Zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de
afgrond te varen” (Luk
8:31), “want vele
geesten waren in hem gevaren”
(Luk 8:30). Het laat ook zien dat de onreine geesten op dit moment het woord
voerden en niet de bezetene. Bezetenen waren meestal door meerdere boze
geesten bezeten (vgl Luk 8:2; Matt 12:45).
5:10 En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
De boze geesten die als één spraken, zei tegen Jezus “dat
Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen” Luk 8:31. Dit is waarschijnlijk een verwijzing naar Tartarus
waar Petrus over spreekt (2 Petr 2:4), een bodemloze put weggelegd voor
onreine geesten.
5:11 En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.
Gezien varkens voor de Joden onreine dieren waren die ze niet mochten eten
(Lev 11:7-8; Deut 14:8), doet de kudde zwijnen ons vermoeden dat de
eigenaars heidens waren (die vlees voor de romeinse bezetter voorzagen) of
Joden die de wet van Mozes terzijde hadden gesteld. Het hebben van een kudde
zwijnen stond voor de Joden voor ongeloof (vgl Luk 15:15-16; Matt 7:6).
5:12 En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat
wij in hen mogen varen.
De duivelen vroegen aan Jezus of ze in de zwijnen mochten gaan wonen, opdat
ze daar hun boze zelve konden voortzetten.
5:13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren
zijnde, voeren in de zwijnen, en de kudde stortte van de steilte af in de
zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en zij versmoorden in de zee.
Jezus liet het toe dat
ze in de zwijnen zouden inwonen en de kudde stortte in de zee en de
tweeduizend zwijnen verdronken. “Zij
voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs de
helling de zee in en zij kwamen om in het water” Matt 8:32, “en de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de
kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk”
Luk 8:33. De macht die Jezus tentoonstelde over de onreine geesten laat zien
dat Hij gezag had over de satan en zijn onreine geesten (1 Joh 3:8; Hebr
2:14-15). Engelen, machten en krachten zijn allen onderworpen aan Christus
die in de hemelen is (1 Petr 3:22; vgl Job 1:12; Opb 13:7).
5:14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de
stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er
geschied was.
De slaven die de zwijnen weidden vluchtten weg naar het land en de stad om
te vertellen wat ze hadden zien gebeuren. “En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet”
Matt 8:32. Lukas spreekt over “de
gehele bevolking van de streek der Gerasenen”
Luk 8:37. Het feit dat iedereen kwam om te kijken laat ons zien hoe
uitzonderlijk deze gebeurtenis was, de man die niet kon worden gebonden is
nu vrij van bezetendheid!
5:15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen de bezetene zittende, en gekleed, en
wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden
bevreesd.
Allen kwamen kijken en konden met hun eigen ogen zien dat de bezetene daar
zat, gekleed en goed bij zijn verstand. De boze geesten waren weg. Om hem
daar kalm, vredig en rationeel te zien zitten door de wonderbaarlijke kracht
van Jezus boezemde angst in bij de mensen. Mogelijk werd deze angst
veroorzaakt door hun eigen geweten omdat ze waarschijnlijk dachten dat Jezus
gekomen was om alle overtreders van de wet te straffen. Daarom vrezen
kinderen Gods niet omdat God hen geen geest heeft gegeven om te vrezen (2
Tim 1:7), maar door Jezus Zijn allen die Hem liefhebben verlost van de macht
van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van Zoon (Kol 1:13).
5:16 En die het gezien hadden, vertelden hun, wat de bezetene geschied was,
en ook van de zwijnen.
De hoeders van de zwijnen die getuige waren geweest van de gebeurtenissen
vertelden de mensen wat er precies was gebeurd en dat de zwijnen in de
ravijn waren gestort.
5:17 En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun gebied wegging.
Toen de mensen hadden gehoord wat er was gebeurd, vroegen ze “of
Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen”
Luk 8:37. Andere varkenshoeders waren waarschijnlijk bevreesd dat ze
economische schade zouden lijden (vgl Hand 19:23-31). Hun harten waren niet
zoekende naar het Koninkrijk Gods (Matt 7:8; 6:31-34). Satan en mensen die
hem gehoorzamen zijn niet bedacht op de dingen Gods. Christus blijft niet
waar Hij niet gewenst is, hij vertrok vandaar om er nooit meer terug te
keren.
5:18 En toen Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest,
dat hij met Hem mocht zijn.
Er was er maar één die wel bij Jezus wilde zijn, nl hij die bezeten is
geweest. In zijn dankbaarheid en liefde wilde hij bij Christus zijn. Zo zegt
ook Paulus “Van beide
zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn,
want dit is verreweg het beste, maar nog in het vlees te blijven is nodiger
om uwentwil” Fil
1:23-24. Het is goed om bij Christus te zijn! Zij die geproefd hebben dat de
Here goed is willen hun oude leven achterlaten! (1 Petr 2:1-3).
5:19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw
huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen de Heere u gedaan
heeft, en hoe Hij Zich over u ontfermd heeft.
Jezus liet het niet toe dat hij met Hem zou meegaan, want hij was een levend
getuigenis van de Majesteit van Jezus. Hij zou veel bruikbaarder zijn voor
Jezus in zijn eigen woonplaats. Zij die hem hadden gekend in slechte
omstandigheden, konden met hun eigen ogen zien hoe groot het werk Gods was
in zijn leven. Hij kon de mensen wijzen op Jezus die dit wonder had
verricht. Wat hij wilde was goed, alleen was het Gods plan dat hij Hem zou
dienen op een andere plaats dan dat hij zelf wilde. “Komt, hoort, en ik wil vertellen, gij allen die God vreest, wat
Hij gedaan heeft aan mijn ziel”
Psalm 66:16. Het verkondigen van Christus begint thuis.
5:20 En hij ging heen, en begon
te verkondigen in het land van Dekápolis, wat grote dingen Jezus hem gedaan
had; en zij verwonderden zich allen.
In gehoorzaamheid aan Jezus, wat een waar geloof vertegenwoordigd, gaat hij
heen zoals Jezus hem bevolen had. Doorheen heel het land van Dekapolis
verkondigde hij welk een grote en wonderbaarlijke dingen Jezus hem had
gedaan en allen waren verwonderd. Dekapolis betekent tien steden.
5:21 En toen Jezus weer in het schip overgevaren was aan de andere zijde,
vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.
“En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn
eigen stad” Matt 9:1,
“toen Jezus
terugkeerde, wachtte de schare Hem op, want zij zagen allen naar Hem uit” Luk 8:40. Vanaf de westelijke kust kon men zien dat
Jezus in aantocht was. Daar zij wisten dat Jezus in aantocht was vergaderde
er een grote schare want ze zagen uit naar Zijn komst. Dit was in Kafernaum,
in zijn eigen stad (Mat 4:13).
5:22 En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en
Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
Terwijl Jezus tegen de schare aan het spreken was (Matt 9:18) , was er een
overste van de synagoge; Jaïrus genaamd die aan Jezus voeten viel. Deze
handeling toont enerzijds de wanhoop van een vader en anderzijds getuigt het
van eerbied, nederigheid en groot respect naar de persoon van Jezus. Matteus
zegt dat hij Jezus aanbad (Matt 9:18-SVV).
5:23 En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar
uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij
behouden wordt, en zij zal leven.
Het werk dat Jezus eerder al had verricht had zich dooruit de hele regio
verspreid. Het geloof van Jaïrus in Jezus kracht was duidelijk, gezien hij
Hem met grote smeekbeden verzocht om met hem mee te komen. Zijn enige
dochter van 12 jaar oud lag op sterven (Luk 8:42). Jaïrus geloofde dat zijn
dochter zou blijven leven als Jezus haar de handen oplegde. Maar “terwijl
Hij nog sprak, kwam er iemand van de overste der synagoge met de boodschap:
Uw dochter is gestorven, val de Meester niet meer lastig!” Luk 8:49. Zo begint Matteus dit verhaal met de smeekbede van Jaïrus
“Mijn dochter is zo
juist gestorven” Matt
9:18. Zelfs dood zijnde geloofde hij dat Jezus haar zou kunnen helpen.
5:24 En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen
Hem.
Gedreven door mensenliefde en barmhartigheid gaat Jezus met Hem mee. Maar de
schare maakte het moeilijk voor Jezus om vooruit te gaan, doordat zij zich
allen naar Jezus toe drukten. Ze drukten zo hard tegen Hem dat Jezus Zich
nauwelijks kon bewegen.
5:25 En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed des bloeds gehad
had,
Doordat deze vrouw al twaalf jaar bloedvloeiingen had, was haar leven voor
een groot deel uitgesloten van de Joodse rituelen (Lev 15:25-30). Dus, ze
had niet alleen te lijden onder de lichamelijke moeiten, maar ook onder de
geestelijke strijd die daaruit voortvloeide. Zolang zij onrein was kon zij
niet deelnemen aan de rituelen. Haar sociale leven lijdde hieronder.
5:26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan
ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met wie het veeleer erger
geworden was;
Wie weet aan welke kwellingen deze kwakzalvers haar allemaal hebben
onderworpen. Wat het ook was, ze had er al veel onder geleden en haar hele
vermogen had ze aan hun gegeven. Maar dit alles had haar niets geholpen, het
had haar toestand integendeel nog erger gemaakt. Dat was ze beloofden konden
ze niet, nl haar genezen, maar dat wat ze haar aanrekenden was ze wel kwijt,
nl haar hele vermogen. Het is vandaag de dag
niet anders!
5:27 Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte
Zijn kleed aan;
Deze arme vrouw, gehoord hebbende van Jezus geloofde, dat als deze Jezus kon
doen wat men zei dat Hij kon doen, dat het voldoende was om slechts Zijn
kleed aan te raken om genezen te worden. Het feit dat de schare zich aan
Jezus opdrong was voor haar een gelegenheid om Jezus langs achteren aan te
raken. Ze “kwam van
achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan” Matt 9:20. Deze kwast droegen de Joden naar het gebod gegeven
in Numeri 15:38-41.
5:28 Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik
gezond worden.
“Want, zeide zij bij
zichzelf, indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik behouden zijn”
Matt 9:21. Ondanks haar vele tegenslagen en ontmoedigingen veroorzaakt door
de kwakzalvers naderde ze tot Christus in geloof. Wat een groot geloof!
5:29 En terstond is de fontein van haar bloed opgedroogd, en zij gevoelde
aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.
Haar twaalf jaar durende vloeiingen hielden onmiddellijk op, het was
zichtbaar en voelbaar dat haar kwaal er niet meer was. Ze vond genezing door
de kracht van Jezus. Wat vele kwakzalvers niet konden doen, kon wel door
Gods kracht.
5:30 En terstond Jezus, bekennende in Zichzelf de kracht die van Hem
uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn
klederen aangeraakt?
Net zozeer als de vrouw bemerkte dat er genezing was geschied, bemerkte
Jezus de kracht die van Hem was uitgegaan. Zich omkerende vroeg Hij aan de
schare wie Zijn klederen had aangeraakt. Niet omdat Hij dit niet wist, maar
opdat de vrouw zich bekend zou maken. Anderen hadden Hem ook aangeraakt,
maar deze vrouw had Hem aangeraakt in geloof en vertrouwen dat haar ertoe
had bewogen om Jezus aan te raken. Haar geloof resulteerde in handelen! De
genezing was een geschenk van God, maar haar geloof en handelen had de deur
voor genezing geopend. Zo is ook de geestelijke genezing een geschenk van
God (Ef 2:8), waar geloof en doop (Mark 16:16) de deur voor genezing openen.
5:31 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt,
en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?
De discipelen konden het onderscheid niet zien tussen de aanraking in geloof
en ongeloof. Daarom ook dat ze zich verwonderen waarom Jezus vraagt wie Hem
heeft aangeraakt. “En
terwijl allen het ontkenden, zeide Petrus: Meester, de scharen drukken en
verdringen U. Maar Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb
kracht van Mij voelen uitgaan”
Luk 8:45-46.
5:32 En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.
Jezus was niet op zoek naar een persoon, hij was op zoek naar de
bloedvloeiiende vrouw die zonet was genezen! Hij wist wie ze was en hoe
groot haar geloof was. “Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij
bevende nader” Luk 8:47.
Jezus keek haar waarschijnlijk aan zodat ze het niet kon ontkennen of
verbergen. Ongetwijfeld wist ze dat als Jezus haar had kunnen genezen, geen
ding voor Hem verborgen is.
5:33 En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was,
kwam en viel voor Hem neer, en zeide Hem al de waarheid.
Bevreesd dat Jezus misschien misnoegd was met hetgeen was gebeurd, naderde
ze tot Hem en viel voor Hem neer. Ze vertelde Hem alles wat haar was
overkomen. Jezus wilde dat ze getuigde van hetgeen Hij aan haar had gedaan,
tot getuigenis van de schare. Ze “verhaalde
Hem, voor al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij
terstond beter was geworden”
Luk 8:47.
5:34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in
vrede, en wees genezen van deze uw kwaal.
Haar geloof had haar ertoe aangezet om tot Jezus te naderen en Hem aan te
raken, dat geloof had haar behouden. Nu kon ze heengaan in vrede, er was een
einde gekomen aan twaalf jaren van vernedering, ellende, kwellingen en
bedriegerijen vanwege de kwakzalvers. Haar geloof in Gods werking had haar
genezen van haar kwaal.
5:35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis van de overste der
synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij de Meester nog
moeilijk?
“Terwijl
Hij nog sprak, kwam er iemand van de overste der synagoge met de boodschap” Luk 8:49. Terwijl Jezus nog aan het spreken was, had Jaïrus
het nieuws gekregen dat zijn dochter was gestorven. De brenger van het
slechte nieuws had een klein geloof omdat hij zegt “uw dochter
is gestorven, val de Meester niet meer lastig!”
Luk 8:49. Ze geloofden blijkbaar niet dat Jezus ook na de lichamelijke dood
macht heeft om leven te geven. Ongetwijfeld was dit een beproeving voor Jaïrus’
geloof, Jezus kon wel ongeneeslijk zieken genezen, maar zou Hij ook doden
kunnen opwekken? Sommige omstandigheden leiden mensen tot wanhoop, ze
geloven dat er geen uitweg meer is.
5:36 En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd,
zeide tot de overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleen.
Maar Jezus hoorde het en gaf Jaïrus hoop. Hij wilde dat hij zou geloven dat
Hij haar uit de doden kon opwekken. Hij moest niet vrezen, maar geloven! Jaïrus
mocht door wanhoop niet opgeven wat hij tot dan toe had gedaan, nl geloofd
(Vgl Joh 3:36; Hebr 11:6; Rom 14:23; Jac 2:20-24). Zijn
geloof had hem tot Jezus gebracht, zijn geloof had hem voor Jezus voeten
doen neervallen, zijn geloof had hem Jezus doen aanbidden. Ook nu zijn
dochter was gestorven moest hij blijven geloven. En zijn geloof faalde niet,
zelfs dood zijnde verzocht hij Jezus “mijn
dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal
leven” Matt 9:18. Jezus
moedigde Hem aan om dat geloof niet op te geven.
5:37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en
Jakobus, en Johannes, de broeder van Jakobus;
Deze gebeurtenis, samen met de gedaante verandering (Mark 9:2) en de
gebeurtenissen in Getsemane (Mark 14:33) waren een privé gebeurtenis
waarbij enkel Petrus Jakobus en Johannes aanwezig waren. Hun liefde, inzet
en toewijding voor Jezus hadden hen in een diepere relatie met de Heiland
gebracht. De andere discipelen moesten waarschijnlijk de schare tegenhouden.
5:38 En kwam in het huis van de overste der synagoge; en zag de beroering en
hen, die zeer weenden en huilden.
Het grote vertoon dat
zich meestal afspeelt bij begrafenissen in oosterse landen vanwege het
verdriet van een overlijden was ook hier zichtbaar. De mensen waren in
beroering, weenden en weeklaagden. Dit gebeurde door zich op de borst te
slaan, de kleren te scheuren, de haren uit te trekken en luid geroep.
5:39 En ingegaan zijnde, zeide
Hij tot hen: Wat maakt gij beroering, en wat weent gij? Het kind is niet
gestorven, maar het slaapt.
“En toen
Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het
misbaar van de schare zag”
Matt 9:23, vroeg hij waarom zij
de beroering veroorzaakten. Hij zei dat het kind niet was gestorven, maar
dat het aan het slapen was (Vgl Joh 11:11-14, 39; 1 Tess 4:13). Jezus
gebruikt deze bewoording om aan te tonen dat het kind wel lichamelijk dood
is, maar dat het niet is opgehouden te bestaan. Jezus ontkent hier niet dat
het kind lichamelijk dood was, want dat was ze, maar dat haar geest nog
leefde en dat ze slaapt in de verwachting van de opstanding der doden (vgl
Joh 5:28-29). Haar dood, hoewel werkelijk, is zoals een slaap waarvan ze
spoedig zou ontwaken.
5:40 En zij belachten Hem; maar Hij, toen Hij hen allen had
uitgedreven, nam bij Zich de vader en de moeder van het kind, en hen, die
met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.
“En zij lachten Hem
uit, omdat zij wisten, dat zij gestorven was” Luk 8:53. In hun ongeloof lachtten ze Jezus uit, ze verklaarden
Hem gek om wat Hij zei. Als ze niet dood was, waarom waren ze dan allemaal
naar daar gekomen en waarom waren ze dan aan het weeklagen? Maar Jezus,
wetende wat er zou gebeuren, nadat Hij hen gezegd had “weent niet”
Luk 8:52, dreef hen allemaal naar buiten. De ouders van het meisje, samen
met de 3 discipelen gingen met Hem mee naar de ruimte waar het kinderlijkje
lag.
5:41 En Hij vatte de hand van het kind, en zeide tot haar: Talítha kûmi!
hetwelk is, overgezet zijnde: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op. Jezus
nam de hand van het kind vast en gebood haar om op te staan (Vgl Hand
9:40-41). Dit waren de simpele woorden die men in die tijd riep om een kind
’s morgens op te roepen om te ontwaken uit de slaap. Maar deze slaap van
dewelke het kind werd opgewekt was de dood. Hoe wonderbaarlijk groot is de
kracht en de Majesteit van Jezus!
5:42 En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf
jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.
“En haar
geest keerde terug en zij stond dadelijk op en Hij beval, dat men haar te
eten zou geven” Luk
8:55.(Vgl Pred 12:7). En onmiddellijk stond het dochterje op uit de dood en
begon te wandelen. De ouders en de discipelen waren buiten zichzelf door
hetgeen ze zojuist hadden zien gebeuren. Toen zij stierf ging haar geest
terug naar haar Schepper. Jezus gaf haar lichaam haar geest terug!
5:43 En Hij gebood hun zeer, dat niemand dat zou weten; en zeide, dat men
haar te eten zou geven.
Dat deze gebeurtenis niet verborgen zou kunnen blijven, was duidelijk. Maar
de bijzonderheden mochten niet worden verteld, gezien het nog niet tijd was.
Dit wonder was te groot voor de mensen om te begrijpen, ze zouden de woedde
van de Farizeën en de schriftgeleerden alleen maar nog groter maken. En de
tijd voor Zijn dood was nog niet gekomen.
6:1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen
volgden Hem.
Jezus verliet zijn stad Kafernaum en kwam in het land waar hij was
opgegroeid (Matt 2:23; Mark 1:9; Luk 2:39,41,51). Zijn vader en moeder
leefden daar voor Hij was geboren (Luk 1:26-27; 2:4). Daarom werd Hij ook
Jezus de Nazoreer genoemd (Matt 2:23; Mark 1:24). Zijn discipelen, nl de
twaalf en hoogstwaarschijnlijk nog anderen volgden Hem.Voordat Jezus naar
Galilea was vertrokken was Hij veracht door de mensen in Nazareth en wilden
de mensen Hem doden (Luk 4:16-31).
6:2 En toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te
leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen
Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke
krachten door Zijn handen geschieden?
Jezus begon in de synagoge te leren, want daar kwamen ze elke zaterdag samen
om uit de Schriften te lezen. Jezus nam van deze gelegenheden gebruik om de
mensen te onderwijzen in Gods wegen. Velen vroegen zich met grote verbzaing
af vanwaar deze leer kwam. Dit was toch de Jezus die zij kenden, de zoon van
een timmerman, hoe komt Hij aan deze wijsheid? Hoe kon het zijn dat Hij, een
mens zulke wonderen en krachten kon doen? Wie is toch Deze? (Vgl Joh 6:42)
Verblindt door hun ongeloof konden ze het Licht dat Hij liet schijnen niet
zien!
6:3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus
en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En
zij werden aan Hem geërgerd.
“Is dit niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria
en zijn broeders Jakobus en Jozef en Simon en Judas? En behoren zijn zusters
niet allen bij ons? Vanwaar heeft Hij dan dit alles?”
Matt 13:55-56. Joden die hun zonen niet een handenarbeid leerden, stonden
gelijk aan iemand die hun zoon leerde om te stelen. Zo had Jezus ook de
stiel van timmerman geleerd van Jozef en werkte hij om in Zijn inkomen te
voorzien. Kerkvaders vertellen ons dat Jezus ploegen en jukken maakte.
Timmermannen waren vaklieden die boten, huizen en tempels bouwden. Ook Maria
was goed gekend, want ze wisten dat zij de moeder was van tenminste zeven
kinderen waarvan Jezus de oudste was (Matt 12:46; Gal 1:19; Matt 1:25; Luk
2:7). Dit laat ons ook zien dat de katholieke leer dat Maria onbevlekt is en
geen andere kinderen heeft gekregen een valse leer is. De mensen werden geërgerd
aan Jezus, omdat hun werken boos
waren (Joh 3:17-19; vgl 1 Petr 2:7-8; Rom 9:32-33). Zelfs zijn eigen broers
geloofden niet in Hem (Joh 7:3-5).
6:4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn
vaderland, en onder zijn verwanten, en in zijn huis.
Dit was een bekend spreekwoord onder de Joden dat Jezus hier aanhaalt. De
mensen van Nazareth wilden niet zien Wie Jezus was. Zijn wijsheid, wonderen
en tekenen zouden alle ongeloof moeten hebben weggenomen. De eer die Hem
toekwam werd niet gegeven, maar men sprak integendeel slecht van Hem en men
vatte Zijn woorden negatief op.
6:5 En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinige zieken de
handen op, en genas hen.
Jezus kon geen kracht doen in
Nazareth. Niet dat Hij onmachtig was of dat Hij het niet kon, maar omwille
van hun ongeloof . “En
Hij deed daar niet vele krachten wegens hun ongeloof”
Matt 13:58. Jezus legde slechts enkelen de handen op en genas hen. Ongeloof
staat gelijk met het verwerpen van Gods Macht, hoe wil zo iemand verwachten
dat God hem genadig zal zijn en hem zal genezen van lichamelijke en
geestelijke zwakten als hij innerlijk verdeeld is? Vgl Jak 1:5-8. Hun was al
veel gegeven en dat wat hun al was gegeven namen ze niet aan in geloof, hoe
zouden ze dan aannemen als Jezus nog grotere dingen zou doen en spreken? Hun
was genoeg bewijs gegeven om te geloven (vgl Joh 20:29-31) “Wie
in zeer weinig getrouw is, is ook in veel getrouw. En wie in zeer weinig
onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig”
Luk 16:10 (vgl Matt 7:6).
6:6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en ging de vlekken rond daar
rondom, lerende.
Jezus was verwonderd door het ongeloof van de mensen te Nazareth. Niet
aanvaard zijnde in Nazareth gaat Jezus verder naar de rondomliggende steden
om te leren.
Menu
|
|