|
Gebeurtenissen in Jeruzalem (11:1-16:20)
IX Lering “En zij kwamen te Jeruzalem; en
Jezus, in de tempel gegaan zijnde” (11:1-13:37)
11:1 En toen zij Jeruzalem naderden, te Beth-Fagé en Bethanië,
aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,
Van Jericho gekomen naderen Jezus en Zijn discipelen
Jeruzalem. In Jericho had Jezus nog het huis van Zacheus bezocht (Lukas
19:1-10) en de gelijkenis van de ponden uitgesproken (Luk 19:11-27). Jezus
kwam 6 dagen voor het Passcha aan in Betanië (Joh 12:1), waar Hij verbleef
bij Lazarus, Maria en Martha (Joh 12:2-7). Betfage en Bethanië waren 2
dorpen die op enkele kilometers afstand van Jeruzalem lagen. Vanuit de
Betfage (Matt 21:1) zond Hij twee van Zijn discipelen uit met een opdracht.
11:2 En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek,
dat tegenover u is; en terstond als gij daarin komt, zult gij een veulen
gebonden vinden, waarop geen mens gezeten heeft; ontbindt het, en brengt
het.
De twee discipelen kregen de opdracht om naar het dorp dat
tegenover hen lag, te gaan. Daar zouden zij een veulen gebonden
vinden waarop geen mens gezeten heeft, Matteus zegt “Gaat
naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond zult gij een ezelin
vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar
tot Mij” Matt 21:2. Dat veulen waarop nog niemand had
gezeten moesten zijn nemen en tot Hem brengen. In het oude testament leren
we dat dieren die ongebrekkig waren en nog geen arbeid hadden verricht
uitgekozen werden voor heilige doeleinden (Deut 21:3; Num 19:2; 1 Sam 6:7).
Jezus gebood dit dier te nemen, alle dieren behoren Hem immers toe (Psa
50:10).Deze woorden zijn de vervulling van de profetie in Zacharia“Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij
dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en
zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een
ezelinnejong” Zach 9:9. Jezus rijdende op een veulen is een
passend voorbeeld van Zijn nederigheid (Fill 2:7-8), maar ook een beeld van
Zijn Koninklijke waardigheid (2 Sam 18:9; 1 Kon 1:33-34). In de oudheid
reden mannen van waardigheid op ezels (Gen 22:3; Richt 5:10; 10:4), maar
sinds de tijd van Salomo werden paarden gebruikt (Jer 17:25).
11:3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet
gij dat? zo zegt, dat de Heere het van node heeft; en hij zal het terstond
hierheen zenden.
Wanneer men aan de 2 discipelen zou vragen waarom zij het veulen
meenamen, moesten zij hen antwoorden dat de Here het nodig heeft en dat Hij
het zou teruggeven. Het lijkt er dan ook op dat Jezus de eigenaars kende,
hoewel dit niet zo hoeft te zijn. Een feit is dat wanneer de Here iets
vraagt, het Hem moet gegeven worden. De term ‘Here’ van het griekse
woord kurios vertaald is een term die betekent ‘hij die de meester is en
de bevoegdheid heeft om te beslissen over iets of iemand’. Het is een
titel die getuigt van respect en eerbied. Het is een term die voor de Vader
en de Zoon wordt gebruikt (vgl Hand 2:34; Psalm 110:1). De term Here was
gekend onder de Joden als verwijzend naar Jezus (Joh 13:13-14).
11:4 En zij gingen heen, en vonden het veulen
gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden het.
Zoals hun Heer geboden had, gingen zij heen en vonden het veulen.
Deze was vastgebonden bij een deur aan een kruising en zij namen het.
11:5 En sommigen van hen, die aldaar stonden,
zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?
Enkele omstaanders die dat zagen vroegen hen waarom zie het
veulen meenamen. Lukas leert ons dat het de eigenaars waren “Toen zij
het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het
veulen los?” Luk 19:33.
11:6 Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus
bevolen had; en zij lieten ze gaan.
Maar de discipelen handelden zoals Jezus hen had geboden en de
eigenaars lieten hen gaan.
11:7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen
hun klederen daarop; en Hij zat er op.
Zij brachten het veulen tot Jezus en wierpen hun klederen daarop.
Matteus leert ons “Dit
is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet,
toen hij zeide: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u,
zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een
lastdier. Nadat de discipelen heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Jezus
hun had opgedragen, brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun
klederen erop, en Hij ging daarop zitten” Matt 21:4-7. Jezus ging op
de ezel zitten naar de voorkennis en raad van God (Hand 2:23).
11:8 En velen spreidden hun klederen op de weg, en anderen hieuwen twijgen
van de bomen, en spreidden ze op de weg.
Veel mensen deden hun mantels af om deze op de weg te leggen waar
Jezus zou komen. “En
het merendeel der schare spreidde hun klederen op de weg, anderen sloegen
takken van de bomen en spreidden die op de weg” Mat 21:8. Zij maakten een weg voor de Messias om Jeruzalem, de stad
van David binnen te komen. De mensen waren verheugd met de komst van Jezus.
“Toen Hij reeds dichterbij kwam,
aan de glooiing van de Olijfberg, begon de gehele menigte der discipelen vol
blijdschap God te prijzen, met luider stem, om al de krachten, die zij
gezien hadden, en zij zeiden: Gezegend Hij, die komt, de Koning, in de naam
des Heren; in de hemel vrede en ere in de hoogste hemelen.
En enige der Farizeeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf
uw discipelen. En Hij antwoordde en zeide: Ik zeg u, indien dezen zwegen,
zouden de stenen roepen. En toen Hij nog dichterbij gekomen was en de stad
zag, weende Hij over haar, en zeide: Och, of gij ook op deze dag verstond
wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er
zullen dagen over u komen, waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen
opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen, en zij
zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de
andere laten, omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt, dat God naar u omzag” Luk 19:37-44.
11:9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is
Hij, Die komt in de Naam des Heeren!
“De
volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde,
dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem
tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!
En: De koning van Israel!” Joh 12:12-13. De menigte ging Jezus tegemoet
terwijl hij op de ezel reed. Ze riepen “Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in
de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen!” Matt 21:9. Hosanna,
hetgeen betekent ‘wees genadig’. David sprak deze woorden toen hij God
om voorspoed en redding bad “Och
Here, geef toch heil, och Here, geef toch voorspoed! Gezegend hij, die komt
in de naam des Heren; wij zegenen u uit het huis des Heren” Psalm 118:25-26. Hij
die hun redding zou brengen was gekomen, de Gezegende die kwam in de Naam
van de Here (kurios), de Profeet, de Messias, de Koning, de Immanuel waar ze
zolang op gehoopt en gewacht hebben, was er (Jes 9:6-7).
11:10 Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, hetwelk komt in de
Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!
Jezus werd geprezen als Diegene die op de troon van David zou
gaan zitten om de koning te zijn van een aards koninkrijk. Maar zij hadden
een verkeerd beeld van het Rijk waarvan Jezus Koning zou worden, het
vrederijk was geen aards Rijk, maar Christus’ vrede die regeert in de
harten van de gelovigen terwijl dezen uitzien naar het Nieuwe Jeruzalem in
de hemel. In het oude testament wordt voorspeld dat de Messias zou gaan
regeren op Davids troon (2 Sam 7:12-16; Psa 89:4-5; 132:11; Ez 37:24).
11:11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in
de tempel; en toen Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was,
ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven.
“En toen Hij
Jeruzalem binnenging, kwam de gehele stad in rep en roer en zeide: Wie is
dit? En de scharen zeiden: Dit is de profeet, Jezus, van Nazaret in Galilea” Matt 21:10-11. Nadat Jezus Jeruzalem was
binnengekomen en er enige tijd was geweest om alles te bezien, vertrok Hij
’s avonds meer met de twaalf naar Bethanië.
11:12 En de volgende dag, toen zij uit
Bethanië gingen, hongerde Hem.
Na overnacht te hebben in Betanië, kreeg Jezus ’s morgens vroeg honger.
“Des morgens vroeg, bij zijn
terugkeer naar de stad, werd Hij hongerig”
Matteus 21:18.
Merk op dat in Matteus 21:12-22 de reiniging van de tempel op de zelfde dag
als de intrede wordt beschreven, terwijl Markus zegt dat de reiniging de dag
erna gebeurde. We zien dat Matteus in zijn brief soms een thematische
volgorde aanhoudt ipv een strikt chronologische volgorde, dit is een
mogelijke verklaring. Ik zal deze tekst dan ook benaderen vanuit het oogpunt
dat de reiniging de dag erna gebeurde.
11:13 En van verre een vijgeboom ziende, die
bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets daarop zou vinden; en
daarbij gekomen zijnde, vond Hij niets dan bladeren; want het was de tijd
der vijgen niet.
“En daar Hij een
vijgeboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets
daaraan, dan alleen bladeren” Matteus 21:19. Op weg van
Betanië naar Jeruzalem zag Jezus langs de weg een vijgenboom staan. Een
vijgenboom krijgt eerst zijn vrucht vooraleer het bladeren krijgt. Hoewel
het nog niet de tijd van het jaar was dat de vruchten reeds rijp zouden
zijn, had deze vijgenboom het voorkomen als zouden er veel vruchten te
vinden zijn gezien de boom al bladeren had . Maar Jezus, bij de boom
gekomen, vond niets dan alleen bladeren. Dus, uitgaande van het voorkomen
van de boom, zouden er veel vruchten te vinden zijn, maar het was slechts
een uiterlijke schijn.
Een link kan worden gemaakt uit Jezus’ Woorden met het uiterlijke,
hypocriete geloof van de Joden (zie Hosea 9:10; Nahum 3:12; Zacharia 10:2;
Matteus 3:10). Vergelijk dit voorval met de gelijkenis van de onvruchtbare
vijgeboom in Lukas 13:6-9 (zie ook Jer 2:21; Hebr 6:7-8).
11:14 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem:
Niemand ete enige vrucht meer van u in eeuwigheid! En Zijn discipelen
hoorden het.
Jezus richtte Zich tot de boom en sprak “Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in eeuwigheid!
En terstond verdorde de vijgeboom” Matteus 21:19. Jezus sprak deze woorden met de bedoeling dat Zijn
discipelen het zouden horen. De boom verdorde, het zal hen de volgende dag
duidelijk worden wat Jezus hiermee wilde leren (zie commentaar op Markus
11:20-22).
11:15 En zij kwamen te Jeruzalem;
en Jezus, in de tempel gegaan zijnde, begon hen, die in de tempel
verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafels der wisselaars, en de
zitstoelen van hen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;
En zij kwamen te Jeruzalem waar Jezus in de tempel ging. Daar dwong Jezus
hen die in de tempel handel aan
het drijven waren, uit de tempel te gaan. Deze dingen behoorden niet in de
tempel te gebeuren. Israelieten werden vereist om naar de wet van Mozes een
jaarlijks belasting te betalen voor de tempel (Exodus 30:13-16; Matteus
17:24). De Joodse traditie wilde dat deze belasting in Joodse munt (shekel
of sikkel) werd betaald, waardoor geldwisselaars zich in de tempel hadden
gevestigd. Deze handel in vreemde munten was vaak het voorwerp van
oplichterij. Er waren er ook in de tempel die duiven verkochten, gezien de
wet van Mozes deze offers aan de arme mensen voorschreef. Twee duiven
moesten worden geofferd, de ene moest dienen als zondoffer, de andere als
brandoffer (Leviticus 12:8; 14:22; 15:14). Drie
jaar eerder had Jezus al eens in het begin van Zijn bediening de handelaren
uit de tempel gedreven (Johannes 2:13-25).
11:16 En liet niet toe, dat iemand enig vat
door de tempel droeg.
De tempel was een plaats geworden
die de Joden gebruikten als een gemakkelijke doorgang om van de ene plaats
naar de andere te gaan. Jezus liet niet toe dat men de tempel voor die
doeleinden gebruikte en weerhield de mensen ervan. Er was geen vrees en
eerbied meer voor God.
“En in de tempel
kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen. Toen de overpriesters en
de schriftgeleerden de wonderwerken zagen, die Hij deed, en de kinderen, die
in de tempel riepen, zeggende: Hosanna de Zoon van David! namen zij dat
kwalijk, en zij zeiden tot Hem: Hoort Gij wat dezen zeggen? Jezus zeide tot
hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van kleine kinderen en
zuigelingen hebt Gij lof bereid?” Matteus 21:14-16.
11:17 En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er
niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden voor alle
volken? Maar gij hebt dat tot
een kuil der moordenaars gemaakt.
En Jezus leerde de Joden waarom Hij deed wat Hij deed. Hij verwijst naar de
oudtestamentische profetie die zegt “hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal
hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers
zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis
heten voor alle volken” Jesaja 56:7. Deze profetie
laat zien dat God zowel Jood als niet Jood zou brengen tot Zijn heilige berg
(vgl Ef 2:19-22; 1 Tim 3:15; 1 Petr 2:5). Jezus zei echter tegen de Joden
“Mijn huis zal een bedehuis
heten maar gij maakt het tot een rovershol”
Matteus 21:13 (vgl Jeremia 7:8-11). Door de misleiding van geldzucht en
persoonlijk winstbejag hadden zij de tempel ontheiligd (Matteus 13:22). Er
zou eerbied moeten zijn voor Gods huis omwille van de Eigenaar die Heilig en
Hoogverheven is! Gelijkaardig zie je vandaag de dag mensen die het huis
Gods, di de gemeente van de levende God, ontheiligen door er een vleselijke
bestemming aan te geven.
11:18 En de Schriftgeleerden en de
overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij
vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.
De schriftgeleerden en de overpriesters hoorden de woorden die Jezus sprak
en bedachten hoe zij Hem zouden doden. Vrees voor hoe de mensen zouden
reageren weerhield hen ervan, omdat ze zagen dat de menigte uitermate
verbaasd was over Jezus’ leer. Er was niemand die sprak zoals Jezus
(Johannes 7:46), want Hij leerde als een gezaghebbend (Matteus 7:29). Lukas
zegt “maar zij vonden niets dat zij
zouden kunnen doen, want al het volk hing aan zijn lippen” Lukas 18:48.
11:19 En toen het nu laat geworden was, ging
Hij uit buiten de stad.
Ook op het einde van deze dag ging Jezus terug naar Betanië om daar te
overnachten.
11:20 En des morgens vroeg voorbijgaande,
zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortels af.
Hoewel de vijgenboom de dag ervoor reeds verdord was, merkten de
discipelen nu op dat de vijgenboom verdord was van de wortel af.
11:21 En Petrus, zulks indachtig geworden
zijnde, zeide tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is
verdord.
“En toen de
discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgeboom
zo terstond verdord?” Matteus 21:20. Petrus,
denkende aan de woorden die Jezus de dag ervoor had gesproken tegen de
vijgenboom, vroeg aan Jezus hoe het kwam dat de boom die Hij had vervloekt,
verdord was. Hij was verbaasd door de plotsheid en de volkomenheid van de
verdorring.
11:22 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen:
Hebt geloof op God.
Eén van de lessen die Jezus met de vijgenboom wilde leren, was dat zijn
discipelen geloof in God moesten hebben. Zij die aan God iets vroegen dat in
overeenstemming is, zouden het verkrijgen. Op Zijn tijd en op Zijn wijze wel
te verstaan! Dit geloof en vertrouwen in Gods werking en kracht, zal de
verloren zondaar in de doop opwekken tot een nieuw leven (Kolossenzen 2:12).
11:23 Want
voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven en
in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven,
dat wat hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.
“Voorwaar, Ik zeg
u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat
met de vijgeboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u
op en werp u in de zee, het zal geschieden”
Matteus 21:21.
Jezus leert hen dat ze niet verbaasd moesten zijn over de wonderbare
gebeurtenis van de vijgenboom. Geloof zonder vrees en twijfel kan meer doen,
dan een mens zou verwachten van wat mogelijk is. Het opheffen van bergen om
in de zee te werpen is niet Gods Wil, maar Jezus laat door dit voorbeeld
zien hoe groot de kracht van het geloof kan zijn. Het geloof namelijk van
hen die niet twijfelen. “Indien echter
iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan
allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.
Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie
twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en
opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de
Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn
wegen” Jakobus 1:5-8.
11:24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij
biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u
geworden.
“En al wat gij in
het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen” Matteus 21:22.
Wanneer Jezus zegt dat zij alle dingen zouden ontvangen die zij biddend
begeren, moeten deze woorden altijd in het Licht van Gods Woord en Wil
worden gezien. We zouden namelijk kunnen begeren dat God de aarde nog eens
laat overspoelen met een zondvloed, alleen zal God dat niet doen gezien dat
tegen zijn Wil ingaat (Genesis 9:11). Petrus begeerde dat de lamme zou
kunnen lopen en het geschiedde (Handelingen 3:1-10), maar dat betekent niet
dat God nog steeds op deze wijze werkt in onze eeuw (1 Korintiërs 13:8-10).
Mirakuleus geloof en krachten waren gaven van de Heilige Geest (1 Korintiers
12:4-11), die werkzaam waren in de eerste eeuw na Christus om het gesproken
woord te bevestigen (Markus 16:17-20; Handelingen 5:12-16; Hebreën 2:1-4).
Ook zien we dat Paulus zijn verlangen om de doorn in het vlees weg te nemen,
niet werd ingewilligd door God, gezien Gods genade hem genoeg moest zijn (2
Korintiërs 12:7-10; vgl ook met Matteus 26:36-46). Het is niet dat God niet
meer werkt in onze tijd, maar wel dat God niet meer werkt door wonderen en
krachten zoals Hij dat deed in de eerste eeuw. Niettemin mogen wij bidden om
te ontvangen! Hoe groot en wonderbaarlijk is onze God! Johannes zegt “En dit is de vrijmoedigheid,
die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil,
ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden,
weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden” 1 Johannes 5:14-15. “Gij begeert, doch gij hebt
niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen;
gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. Of, gij bidt
wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw
hartstochten door te brengen” Jakobus 4:2-3 (vgl 1
Johannes 3:21-22).
11:25 En wanneer gij staat om te bidden,
vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die
in de hemelen is, u uw misdaden vergeve.
Wanneer wij willen dat God ons vergeeft, moeten ook wij onze schuldenaren
vergeven. Indien wij dit niet doen, zal ook God ons niet vergeven. “Zalig de barmhartigen, want hun
zal barmhartigheid geschieden”
Mattheus 5:7. Elkaar vergeven is de kracht van elke relatie waardoor deze
alleen maar kan groeien en hechter kan worden (vgl Kolossenzen 3:12-13).
11:26 Maar
indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw
misdaden niet vergeven.
Jezus had hen eerder al geleerd in de bergrede “Want indien gij de mensen hun overtredingen
vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen
niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven” Matteus 6:14-15. God kan een mens niet vergeven
totdat deze zich bekeert van zijn zonden. Het vergeven van zonden betekent
om iemand zijn schuld kwijt te schelden en deze niet meer tegen hem te
houden. Wij moeten anderen ‘van harte’ vergeven zoals God ons vergeeft
(Matteus 18:23-35).
11:27 En zij
kwamen weer te Jeruzalem. En toen Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem
de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.
“En het geschiedde op een der dagen,
waarop Hij het volk in de tempel leerde en het evangelie verkondigde, dat de
overpriesters en schriftgeleerden met de oudsten daarbij kwamen staan” Lukas 20:1.
Terwijl Jezus aan het leren en het prediken was in de tempel, nadat ze weer
in Jeruzalem waren gekomen, kwamen de geestelijke leiders tot Hem. Deze 3
groepen waren vertegenwoordigd in het Sanhedrin, dat het hoogste juridisch
en geestelijk gezag in Jeruzalem was. Zij zagen toe op de goede orde en de
welvoeglijkheid.
11:28 En zeiden
tot Hem: Door wat macht doet Gij
deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen
zoudt?
Ze stelden Jezus de vraag door welke macht Hij deze dingen deed. Jezus had
de tempel gereinigd van de handelaren, deed wonderen en leerde als een
gezaghebbende. Maar niet alleen wilden ze weten wat de oorzaak van Jezus’
macht was, ze wilden ook weten wie hem deze macht heeft gegeven. Jezus was
geen priester of wereldse leider
en noch het Sanhedrin, noch Caesar hadden Hem de macht gegeven om te doen
wat Hij deed. Hun doel was ongetwijfeld om misbruik van hun positie te maken
om Jezus beschaamd te maken zodat Hij in diskrediet bij de mensen zou komen.
Zij waren mensen die gesteld waren op de eer van mensen ipv op de eer van
God (Matteus 23:5-7; Johannes 5:24-47). “En toch
geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de
Farizeeen kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden
gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer
van God” Johannes 12:42-43 (vgl Jeremia 23:32; Johannes 7:47-49). Een mens moet
daarom voorzichtig zijn om zichzelf niet meer eer toe te kennen dan dat hij
waard is (Vgl Exodus 2:14; Numeri 16:3,13; Hand 4:5-31). Hoewel hun
motivatie om deze vragen te stellen verkeerd was,
is het niet verkeerd om deze vragen te stellen (Matteus 15:1-9).
11:29 Maar
Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt
Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:
“Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ik
zal u ook een vraag stellen en indien gij Mij daarop antwoord geeft, zal Ik
u ook zeggen, krachtens welke bevoegdheid
Ik deze dingen doe” Matteus 21:24. Jezus antwoordt hun vragen
met een wedervraag. Het antwoord op die vraag zou tevens het antwoord zijn
op hun vragen aan Jezus. Door zo te reageren maakt Jezus duidelijk hoe
verhard en oneerlijk hun harten waren.
11:30 De doop
van Johannes, was die uit de hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.
Was Johannes een profeet van God of was hij iemand die zijn eigen ding deed.
Johannes was meer dan een profeet, hij was diegene die de weg van de Here
bereidde (Matteus 11:7-15; Johannes 1:19-34; 10:40-42). Johannes was Gods
boodschapper die Jezus als de Messias van het oude testament aanwees en die
van Jezus verkondigde “Zie, het
lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt” Johannes 1:29.
Als ze zouden antwoorden dat de doop van Johannes uit de hemel was, dan zou
dat tevens verklaren waar Jezus’ macht vandaan kwam. Jezus vraagt de
geestelijke leiders om Hem te antwoorden op deze vraag.
11:31 En zij
overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit de hemel, zo zal Hij
zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
Hun overleggingen draaiden op niets uit, het niet willen aanvaarden van Gods
Woord en Zijn Boodschappers resulteert in bedriegerij. Zij bedachten bij
zichzelf wat de gevolgen van hun antwoord zou zijn, maar ipv bezorgd te zijn
over wat waarheid was, waren ze meer bezorgd over hun geloofwaardigheid en
de eer van mensen. Als zij de waarheid zouden spreken dan zouden zij moeten
erkennen dat hetgeen Johannes, als profeet van God, over Jezus zei waar was.
11:32 Maar
indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk;
want zij hielden allen Johannes ervoor, dat hij waarlijk een profeet
was.
De andere optie was voor hun positie evenmin gunstig. Als ze zouden zeggen
dat Johannes uit zichzelf sprak dan vreesden ze de mensen die erkenden dat
Johannes waarlijk een profeet was (vgl Matteus 14:5; Markus 6:20). “Doch indien wij zeggen: uit de mensen, dan zal het
volk als een man ons stenigen, want het is ervan overtuigd, dat Johannes een
profeet was” Lukas 20:6. Dit antwoord, hoewel verkeerd, zou hun dwaling het best
hebben gediend, maar hun geloof in hun dwaling was zo zwak dat ze handelden
uit vrees voor mensen. De christen daarentegen zal lijden ondergaan indien
Gods gerechtigheid dit vraagt “Al moest
gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor
hun dreiging, en laat u niet verschrikken” 1 Petrus 3:14 .
11:33 En,
antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus,
antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze
dingen doe.
Gezien beide antwoorden negatieve voor gezichtsverlies zorgden, besloten
ze te liegen (Hosea 4:6). Ze zeiden tegen Jezus dat ze het niet wisten,
terwijl ze het heel goed wisten. Jezus maakte hun hypocrisie openbaar en
maakte het tegelijkertijd duidelijk aan de toehoorders vanwaar Hij Zijn
macht had. Want het volk erkende dat Johannes’ macht van God kwam en
daardoor ook Jezus’ macht! Hen wiens geloof gebaseerd is op leugens en
menselijke overleggingen zullen geen stand kunnen houden tegenover Gods
onfeilbare Woord. Jezus zei het met deze woorden “Heilig hen
in uw waarheid; uw woord is de waarheid” Johannes 17:17.
12:1 Hij begon
door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en
zette een heining daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en
verhuurde die aan de landlieden, en reisde buitenslands.
Jezus begon door gelijkenissen te spreken. Markus geeft enkel de gelijkenis
van de onrechtvaardige pachters weer, maar Jezus
sprak op deze dag nog andere gelijkenissen (Matteus 21:28-32; 22:1-14;
24:45-25:46).
In het oude testament wordt de wijngaard gebruikt om een beeld van God te
geven hoe Hij de natie Israel voedde en koesterde (Psalm 80:8-20; Jesaja
5:1-7; Jeremia 2:21; Deut 28:30,39). Een zekere man die eigenaar was van een
wijngaard, bouwde er een muur rond om de wijngaard om zijn
vrucht te beschermen tegen het plunderen van mens en dier (Psalm 80:13-14).
De eigenaar groef een wijnpers waarin hij de vrucht van de wijnpers zou
opvangen. Deze werd meestal uit een rots uitgehouwen. Ook bouwde hij een
toren die kon dienen als uitkijktoren, maar ook als schuilplaats tegen
slecht weer. Deze toren verhuurde de eigenaar aan landlieden van wie werd
verwacht dat zij de wijngaard zouden bewerken en onderhouden. De eigenaar
“ging
geruime tijd buitenslands”Lukas 20:9 en liet de zorg voor de wijngaard aan de landlieden over.
12:2 En toen
het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van
de landlieden ontving van de vrucht van de wijngaard.
Toen het tijd was voor de eigenaar om de opbrengst van de vrucht in
ontvangst te nemen, zond hij een dienaar tot de landlieden. God heeft altijd
goed gezorgd voor het Joods natie (vgl Deuteronomium 6:10-12). Tijdens het
Joodse tijdperk zond God profeten tot Zijn volk om hen te waarschuwen tegen
afval van Zijn Wegen en God verwachtte gehoorzaamheid en aanbidding die Hem
toekwam.
12:3 Maar zij
namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.
Maar de landlieden namen de dienstknecht van de eigenaar, sloegen hem en
zonden hem zonder vrucht weg. God sprak door de profeet Jeremia tot
Israel:“dit gebod heb Ik hun gegeven: Hoort naar mijn stem,
dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de
ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga. Doch zij hoorden niet, noch
neigden hun oor, maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun
boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts, van de dag af dat
uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al
mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat, doch zij hoorden naar
Mij niet noch neigden hun oor, maar betoonden zich hardnekkiger dan hun
vaderen” Jeremia 7:23-26. Zij die door God werden aangesteld waren om het volk
te richten worden doorgaans dienstknechten des Heren genoemd, dit was zo
voor Mozes, Jozua, David, de profeten, … (vgl Jeremia 25:4; Amos 3:7;
Jozua 14:7; 24:29; 2 Koningen 3:18; Psalm 105:26; Zacharia 1:6).
12:4 En hij
zond weer een andere dienstknecht tot hen, en die stenigden zij, en wondden
hem het hoofd, en zonden hem heen, schandelijk behandeld zijnde.
Opnieuw zond de eigenaar een andere dienstknecht tot de landlieden. Maar
deze werd nog erger behandeld dan de eerste, ze stenigden hem en verwondden
hem aan zijn hoofd. Ze handelden zonder respect voor de dienstknechten, maar
meer nog, zonder respect voor de eigenaar. Jezus zegt later tegen de
schriftgeleerden en farizeën: “gij zegt:
Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen
gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten. Gij
getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zult
gij ontkomen aan het oordeel der hel? Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en
wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en
van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot
stad, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de
aarde van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias,
de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het
altaar. Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht” Matteus 23:29-36
(vgl Hebreën 11:35-38). Jezus probeert de Joodse leiders die voor hem staan
duidelijk te maken, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen geeft.
12:5 En weer
zond hij een andere, en die doodden zij; en vele anderen, waarvan zij
sommigen sloegen, en sommigen doodden.
Nadat de tweede smadelijk was behandeld, zond de eigenaar nog andere
dienstknechten en deze werden gedood door de landlieden. Vele anderen werden
eveneens mishandeld en gedood. Jezus zei “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u
gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een
hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild.
Zie, uw huis wordt aan u overgelaten” Matteus 23:37-38 (vgl Nehemia 9:30).
12:6 Toen hij
dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook die ten laatste
gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.
Als laatste zond de eigenaar zijn eigen zoon, denkende dat de landlieden de
zoon wel zouden ontzien. Hij dacht dat de landlieden wel respect zouden
hebben voor de zoon. De zoon in deze gelijkenis is Christus van wie God
getuigenis gaf “Deze is mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem” Lukas 9:35. Jezus kwam in het laatste der dagen zoals er staat
geschreven “Nadat God eertijds vele malen en op
vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in
het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon” Hebreën 1:1. Deze tijd wordt door de nieuwtestamentische schrijvers
ook de volheid des tijds (Galaten 4:4; Efeziërs 1:10), de laatste dagen
(Handelingen 2:16-17) en de voleinding der eeuwen (Hebreën 9:26) genoemd.
12:7 Maar die
landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem
doden, en de erfenis zal onze zijn.
Maar ipv respect te tonen voor de zoon, beraamden ze plannen om hem te
doen, opdat de nalatenschap van de zoon de hunne zou worden. Door het
goddeloos handelen van de Joodse leiders zagen zij niet dat hetgeen Christus
bracht een geestelijk Koninkrijk was. “En op de
vraag der Farizeeen, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij
hun en zeide: Het Koninkrijk Gods komt niet zo, dat het te berekenen is; ook
zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods
is bij u” Lukas 17:20-21. Het is de heerschappij van Christus in de harten van
hen die wederomgeboren zijn door het waterbad (Efeziërs 5:25-27; Johannes
3:5-7; Filippenzen 3:20). “En de vrede
van Christus, tot welke gij immers in een lichaam geroepen zijt, regere in
uw harten; en weest dankbaar” Kolossenzen 3:15. Daarom besloten de
leiders van Israel Jezus te doden (Johannes 11:45-57; Matteus 26:3)
12:8 En zij
namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten de wijngaard.
“En zij wierpen hem buiten de wijngaard
en doodden hem” Lukas 20:15. De landlieden namen de zoon en
hem buiten de wijngaard geworpen hebbende, doodden zij hem. Jezus werd
buiten de poorten van de stad Jeruzalem gekruisigd (Johannes 19:16-21; Hebreën
13:12-13).
12:9 Wat zal
dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, en de landlieden
verderven, en de wijngaard aan anderen geven.
Jezus stelt zijn toehoorders de vraag als conclusie van de gelijkenis, nl
wat zal de eigenaar van de wijngaard doen? Wanneer zij zouden zeggen ‘de
eigenaar moet hen zwaar straffen voor hun ongerechtigheid’, dan
veroordelen ze daarmee henzelf. Wel, Jezus geeft het antwoord zelf, de
eigenaar zal namelijk de landlieden ombrengen en de wijngaard aan anderen
geven. Want de wijngaard was niet slecht, maar wel de arbeiders. Matteus
voegt hieraan toe “Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal
weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten
daarvan opbrengt” Matteus 21:43. “Maar toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat nooit!” Lukas 20:16. Zowel de Joodse leiders als het volk in het algemeen
hebben Gods boodschappers alsook Zijn Zoon verworpen (Spreuken 1:24-31;
Handelingen 13:46-48; vgl Joh
15:1-8). Daarom wordt de positie van de
natie Israel om het uitverkoren volk van God te zijn, gegeven aan een ander
volk dat de vruchten van de wijngaard opbrengt. Niet dat elke Jood de
Christus had afgewezen, zoals Paulus zegt in Romeinen 11:1-5. De wijngaard
werd gegeven aan hen uit Jood en Griek die zich tot Christus bekeren
(Romeinen 1:16-17), dezen zijn in het christelijke tijdperk het ware Israel
(Romeinen 2:25-29; Kolossenzen 3:1-12).
12:10 Hebt gij
ook deze Schrift niet gelezen: de steen, die de bouwlieden verworpen hebben,
deze is geworden tot een hoofd des hoeks
“Maar Hij zag hen aan en zeide: Wat
betekent dan dit, dat er geschreven is: De steen, die de bouwlieden
afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden? En ieder, die op die
steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij
vermorzelen” Lukas 20:17-18.
Dit is een aanhaling van Psalm 118:22. De apostel Petrus verwijst naar deze
tekst om duidelijk te maken dat Christus door God tot het Hoofd van de
gemeente is aangesteld en dat de Joden Hem hebben verworpen (Handelingen
4:10-12; 2:25-36; 1 Petrus 2:4-10; vgl ook met Efeziër 2:11-22).
Het hele Joodse systeem was waardeloos als men Christus niet erkende,
gezien Hij het einde en de vervulling van de wet is (Johannes 1:17; Romeinen
10:4; Matteus 5:17). Daarom
staat er ook geschreven “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft
het leven niet” 1 Johannes 5:12.
12:11 Van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
God gebruikte de opstandigheid en de verwerping van Christus door de Joden
in Zijn voorzienigheid om Zijn Wil uit te voeren. Dit was waar David van
profeteerde in Psalm 118:22-23. Zoals Petrus op pinksterdag profeteert: “Mannen van Israel, hoort deze woorden: Jezus, de
Nazoreeer, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en
tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet,
deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door
de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood” Handelingen 2:22-23.
12:12 En zij
zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat
Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.
De farizeën en schriftgeleerden probeerden Jezus om deze woorden te vangen,
maar ze waren bevreesd voor de enthousiaste schare die Jezus als Koning had
verwelkomd, ze wisten niet goed hoe de schare zou reageren. De leiders van
Israel begrepen maar al te goed dat Jezus deze gelijkenis met het oog op hen
had gesproken. Ze verlieten Hem gezien dit geen goed moment was om Hem te
doden, ze gingen weg om hun plan om Jezus te doden verder uit te werken.
12:13En zij zonden tot Hem enigen van de Farizeeën en van de Herodianen,
opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
“En om Hem na te gaan zonden zij
spionnen uit, die zich voordeden als vrome mensen, om Hem op een woord te
vatten, ten einde Hem te kunnen overleveren aan het gezag en de beschikking
van de stadhouder” Lukas 20:20. “En zij zonden tot Hem hun leerlingen, met de Herodianen” Matteus 22:16a.
De Farizeën, die sterk separatistisch waren en tegen het keizerlijk gezag
van Rome waren en de Herodianen, de Joden die door Rome waren aangesteld als
uitvoerende macht in Jeruzalem, vonden elkaars gelijken in het kwaad (vgl
Markus 3:6). Doordat Jezus hun gemeenschappelijke vijand was,
sloegen ze de handen in elkaar. Ze hanteerden het principe: ‘de
vijand van mijn vijand is mijn vriend’. De mannen die tot Jezus waren
gezonden hadden de opdracht om te bespioneren wat Hij deed en zei. Deze
leerlingen waren waarschijnlijk jonge, aan hun meesters onderdanige
volgelingen. Hun blind vertrouwen in hun meesters maakte van hen uitvoerders
van het kwaad.
12:14 Dezen nu
kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en
naar niemand vraagt; want Gij ziet de persoon der mensen niet aan, maar Gij
leert de weg Gods in waarheid; is het geoorloofd, de keizer schatting te
geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?
Hun methode is zeer verwerpelijk, ze proberen Jezus eerst in Zijn gezicht te
vleien om Hem daarna ten val te brengen. Hoewel ze het zelf niet geloofden,
spreken ze waarheid wanneer ze in hun hypocrisie tegen Jezus zeggen dat
Jezus naar waarheid en recht handelde en niet uit ogendienst, om de ene of
de andere te bevoordelen door het recht te buigen. Jezus sprak waarheid
ongeacht wat de gevolgen zouden zijn. Jezus liet Zich zelfs niet door de
Romeinse keizer beïnvloeden. Jezus was een geloofwaardig en rechtschapen
Persoon en leerde de weg Gods en verwachtte dat Zijn toehoorders daarnaar
zouden handelen zonder af te wijken. De Joden moesten belastingen betalen
aan de Romeinen bezetter als erkenning van hun onderwerping aan de
bezetting. Deze onderwerping aan Rome was voor de Joden een aanstoot (vgl
Johannes 8:33). Met deze vraag te stellen als ze de keizer belasting moeten
betalen of niet, plaatsen ze Jezus tussen hun macht en de macht van Rome.
Als Jezus ‘nee’ zou antwoorden dan zouden ze Hem overleveren aan de
stadhouder wegens het prediken van opstandigheid (Lukas 20:20). Indien Jezus
‘ja’ zou zeggen dan zouden ze Hem verwijten dat Hij opstandig tegen God
was, van wie Hij de Zoon beweerde te zijn, want de wet van Mozes schreef
voor “Wanneer gij
gekomen zijt in het land dat de Here, uw God, u geven zal, dit in bezit
genomen hebt en daarin woont, en gij dan zoudt zeggen: Ik wil een koning
over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben, dan zult gij over
u de koning aanstellen, die de Here, uw God, verkiezen zal; uit het midden
van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen; geen buitenlander,
die uw broeder niet is, zult gij over u mogen aanstellen” Deuteronomium 17:14-15.
Hoewel Herodes een Jood was (Lukas 3:1), toch moest hij zich als viervorst
(tetrarch) onderwerpen aan het Romeinse gezag en dit was voor de meeste
Joden verwerpelijk. ‘Ja’ zou Jezus dus in diskrediet bij het volk
brengen gezien de gedachte van bezet te zijn en de daaraan verbonden
belasting zeer onpopulair was.
12:15 En Hij,
wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij
een penning, dat Ik hem zie.
Jezus, die Alwetend is, kende hun schijnheiligheid.
Ze waren goede acteurs die zich vroom konden voordoen door hun sluwheid en
hun schijnbare wijsheid. ‘Waarom probeert ge Mij tot zonde te
verleiden?’ vraagt Jezus hen. Hoewel anderen werden misleidt door het
gedrag van de leerlingen en de Herodianen, doorzag Jezus hun. “Toont Mij het geldstuk voor de belasting. Zij brachten Hem een schelling.
En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit?” Matteus 22:19-20. Het belastinggeld voor de
tempel werd betaald in shekel, het belastinggeld voor de Romeinse overheid
werd betaald in de Joodse munt (zie commentaar Markus 11:15). Jezus wilde de
Romeinse munt zien opdat ook allen met Hem kon zien wat er op de munt stond.
12:16 En zij
brachten er een. En Hij zeide tot hen: Van wie is dit beeld, en het
opschrift? en zij zeiden tot Hem: Van de keizer.
Jezus maakt hen beschaamd dmv hun eigen val. Nadat ze een munt tot Jezus
hadden gebracht en Hij hen had gevraagd wiens beeld en opschrift erop stond,
antwoordden zij hem “van de keizer”. Zowel de munt, alsook hun antwoord maakten
duidelijk dat zij zich aan het Romeinse gezag onderwierpen.
12:17 En Jezus,
antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan de keizer, wat des keizers is, en
Gode, wat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.
Verdergaand op hun antwoord zegt Jezus om de keizer te geven wat de keizer
toekomt. Als je onder zijn gezag leeft, dan moet je hem geven wat hem
toekomt. Het feit dat de keizers’ beeld en opschrift op de munt stonden en
de munt in hun land circuleerde, betekent dat ze het hem schuldig waren (vgl
Matteus 17:24-27; Romeinen 13:7). Deze onderwerping aan de keizer of welke
overheid dan ook is van toepassing zolang Gods Wil niet wordt overtreden
(vgl Handelingen 5:29; 1 Petrus 2:13-17). Anderzijds zegt Jezus verder om
Gode te geven wat God toekomt. “Als gij God een gelofte gedaan hebt,
talm er dan niet mee die in te lossen, want Hij heeft geen welgevallen aan
de dwazen; wat gij beloofd hebt, moet gij inlossen. Het is beter, dat gij
niet belooft dan dat gij belooft en niet inlost”
Prediker 5:4-5 (vgl Maleachi 3:6-8). De mens Gods is God onderwerping
schuldig. Paulus zegt “Want gij zijt gekocht en betaald.
Verheerlijkt dan God met uw lichaam” 1
Korintieërs 6:20.
Jezus’ antwoord had hen beschaamd achtergelaten, gezien Zijn antwoord
rechtvaardig was en beide partijen, dat is de Farizeën en de Herodianen,
ermee gediend waren. “En zij
konden tegenover het volk op geen woord van Hem vat krijgen. En zij
verwonderden zich over zijn antwoord en hielden zich stil.”
Lukas 20:26. “Toen zij
dit hoorden, verwonderden zij zich en zij lieten Hem verder ongemoeid en
gingen weg” Matteus 22:22.
12:18 En de
Sadduceeën kwamen tot Hem, die zeggen, dat er geen opstanding is, en
vroegen Hem, zeggende:
“En tot Hem kwamen enige der Sadduceeen, die
ontkennen, dat er een opstanding is, en zij ondervroegen Hem” Lukas 20:27. De Saduceeen ontkenden niet alleen
dat er een opstanding was, ze geloofden ook niet in het bestaan van engelen
of dat de geest van een mens voort bestaat na de dood, ze geloofden dat de
ziel sterft met het lichaam (vgl Handelingen 23:8; Johannes 11:24-27;
5:28-29; 1 Korintiërs 15:13-22: Openbaring 6:9-11). Zij geloofden in het
zichtbare en het tastbare en wilden niet aanvaarden hetgeen Gods Woord
leerde. In hun ongeloof en dwaling proberen ze Jezus aan te tonen dat het
niet kan zijn dat er een opstanding van doden bestaat. Mensen met verkeerde
gedachten zijn zeer gevaarlijk voor iemands geloof,
zoals ook Paulus zegt “Maar
vermijd de onheilige, holle klanken; want zij zullen de goddeloosheid nog
verder drijven, en hun woord zal
voortwoekeren als de kanker. Tot hen behoren Hymeneus en Filetus,
die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de
opstanding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen
afbreken” 2 Timoteus 2:16-18. Deze
groep ongelovigen die van zichzelf dachten dat ze Gods Woord kenden,
ondervragen Jezus over deze dingen.
12:19 Meester!
Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw
achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder zijn vrouw nemen zal
en zijn broeder zaad verwekken.
Ze halen een hypothetisch voorbeeld aan gebaseerd op een gebod uit de wet
van Mozes. Hun voorbeeld, zo dachten ze, zou het geschil en hun gelijk wel
duidelijk maken. “Wanneer broeders tezamen wonen, en een
van hen sterft zonder een zoon na te laten, dan zal de vrouw van de
gestorvene niet buiten de familie de vrouw van een vreemde man mogen worden;
haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en zo het
zwagerhuwelijk met haar sluiten” Deuteronomium 25:5. Deze
wet was gegeven zodat dat levende broer de naam van zijn overleden broer zou
voortzetten opdat diens naam niet uit het volk zou verdwijnen (vgl Ruth
1:11-12; 4:5). De familie van
Jakob hanteerde dit principe al lang voor de wet werd gegeven zodat de
familienaam behouden bleef (Genesis 38:6-11). Door de Schrift aan te halen
willen ze zich voordoen alsof ze weten waarover ze praten, alsof hun geloof
gerechtvaardigd is.
12:20 Er waren
nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad
na.
“Nu waren er
bij ons zeven broeders. En de eerste huwde en stierf daarop, en daar hij
geen nakomelingschap had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broeder” Matteus 22:25. “Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en stierf
kinderloos” Lukas 20:29. Gebaseerd op Deuteronomium 25:5
beginnen ze nu met hun voorbeeld. Nl, er waren 7 broers waarvan de eerste
een vrouw huwde, maar die kinderloos stierf. Hij liet dus geen
nakomelingenschap achter. Dit voorbeeld is waar het gebod in Mozes’ wet op
sloeg.
12:21 De tweede
nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde
evenzo.
Maar, zo gaan ze verder, ook de tweede broer huwde de
vrouw maar stierf ook zonder nakomelingschap achter te laten. Bij de derde
was het evenzo.
12:22 En al de
zeven namen haar, en lieten geen zaad na; als laatste van allen is ook de
vrouw gestorven.
Uiteindelijk stierven ook de andere broers nadat zij
de vrouw waren gehuwd zonder nakomelingschap achter te laten en op het
laatste stierf ook de vrouw.
12:23 In de
opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw van dezen zal
zij zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.
Hun vraag aan Jezus is dan ook deze “Die vrouw dan, van wie van hen zal zij in de
opstanding de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad” Lukas 20:33. Dit voorbeeld was waarschijnlijk al
vaak door hen aangehaald als argument om niet in een opstanding te geloven
omdat niemand hen antwoord kon geven. Onder de veronderstelling dat het
huwelijk blijft voortbestaan in de opstanding, leek het maar dwaas in hun
ogen om in een opstanding te geloven.
12:24 En Jezus,
antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften
niet weet, noch de kracht Gods?
Jezus antwoordt hen wel, Hij zegt “Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de
kracht Gods” Matteus 22:29. Jezus zegt dat ze dwalen, dit
betekent dat ze van de rechte weg afgedwaald zijn waardoor ze zondigen. Ze
dwaalden in het feit dat ze de Schriften niet kenden hoewel ze deze
aanhaalden. Ook dwaalden ze in het feit dat ze de kracht van God niet
kenden, want hoe zou het voor een Almachtige God niet mogelijk zijn om doden
op te wekken. Zo zie je dat wanneer er verkeerde overwegingen worden
gebruikt als basis om de Schrift uit te leggen, men kan worden misleid om
leugens te geloven. Slechte mensen denken vaak dat de moeilijkheden die ze
naar voren brengen hen het recht geeft om Gods openbaringen te verwerpen.
Daarom moeten wij ijverig zijn om het Woord Gods altijd te onderzoeken met
een open en eerlijk hart zonder vooringenomen standpunten. Spijtig genoeg
zijn er maar weinigen die zo de bijbel lezen (vgl Handelingen 17:11).
12:25 Want als
zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten
huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.
Jezus zegt hen wat waarheid is over de opstanding, nl
dat er een opstanding is waarin men niet meer huwt of ten huwelijk wordt
genomen, maar zij zijn daar als engelen in de hemel. Er is dus een bestaan
van de ziel na het bestaan hier op aarde. Het huwelijk is vanaf het begin
van de schepping door God ingesteld om man en vrouw tot één vlees te
maken, om eenzaamheid weg te nemen, om compleet te zijn en om de sexuele
begeerten te bevredigen (Genesis 1:28; 2:18-25; 1 Korintiërs 7:1-5). Deze
éénwording tussen man en vrouw is enkel hier op aarde. De mormonen dwalen
hierin ook wanneer zij leren dat het huwelijk in de hemel zal blijven
bestaan. In de opstanding zal de mens zijn als de engelen, waarmee Jezus
duidelijk maakt dat engelen bestaan en dat engelen schepselen van God zijn
die geen huwelijk hebben. Paulus spreekt over het opstandingslichaam in 1
Korintiërs 15:35-57 (vgl 1 Johannes 3:2).
Lukas vult deze woorden aan met “De kinderen dezer eeuw huwen en worden ten huwelijk genomen,
maar die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan
de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen.
Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en
zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn. Maar dat de
doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid, waar
hij de Here noemt de God van Abraham en de God van Isaak en de God van
Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven
zij allen” Lukas 20:34-38 (1. Waardig
gekeurd zijn: vgl 2 Tessalonissenzen 1:5; Openbaring 3:4; Lukas 21:36 – 2.
Opstanding: Handelingen 24:15; Hebreeen 11:35).
12:26 Doch
aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in
het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft,
zeggende: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van
Jakob?
Maar om verder te gaan over de opstanding van doden
haalt Jezus nog een tekst aan waaruit zij hadden kunnen opmaken dat er een
opstanding is. Verwijzende naar Mozes en de brandende braamstruik (Exodus
3:2, 6-15) vraagt Jezus hen: “hebt gij
niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe God tot hem
sprak, zeggende: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van
Jakob?” Matteus 22:26. Zelfs Mozes’ voorbeeld, die de
Saduceeën hadden aangehaald om hun dwaalleer te verdedigen, getuigde ervan
dat er een opstanding is. Want God had Mozes gezegd dat Hij de God van
Abraham, Isaak en Jakob is. God was nog steeds hun God, daarom moesten zij
ergens levend zijn hoewel ze gestorven waren. Hoe kan God immers de God zijn
van mensen die niet meer bestaan?
12:27 God is
niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.
Want gaat Jezus verder, God is geen God van doden
maar van levenden. De Saduceeen ontkenden dat wat de bijbel leerde en daarom
dwaalden zij zeer. Hun eigen gedachten stond de waarheid van God in de weg,
hun hoogmoed weerhield hen ervan om de waarheid te kennen! Het lichaam
zonder de geest is dood (Jakobus 2:26), de geest leeft bewust verder na de
fysieke dood van het lichaam (vgl Lukas 16:19-31). “En de scharen,
die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer” Matteus 22:33. “Enige van de schriftgeleerden antwoordden en zeiden:
Meester, Gij hebt goed gesproken. Want
zij durfden Hem niets meer vragen” Lukas 20:39-40. Door niet te aanvaarden wat te Schrift leerde en door
andere leringen en gedachten te verkondigen dwaalden zij en haalden een
oordeel over zichzelf (vgl 2 Petrus 2:1-2, 15, 20-21; Matteus 7:14-23; 2
Korintiërs 11:13-15; 1 Timoteus 4:1-3; 2 Timoteus 4:1-4).
12:28 En een
van de Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en
wetende, dat Hij hun goed geantwoord had, kwam tot Hem, en vroeg Hem: Welk
is het eerste gebod van alle?
“Toen de
Farizeeen gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeen tot zwijgen had gebracht,
kwamen zij bijeen, en een van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te
verzoeken” Matteus 22:34-35. Hoewel Matteus zegt dat deze
wetgeleerde tot Jezus kwam om Hem te verzoeken, lijkt het erop dat
deze uitlegger van de Schrift een oprechter hart had dan de anderen,
gezien de reactie van Jezus op zijn vraag. Deze wetgeleerde had gezien dat
Jezus de Saduceën goed had geantwoord en onder de indruk zijnde, vraagt hij
welk gebod het gewichtigste, het belangrijkste is van alle geboden.
Blijkbaar was dit een vraag die hemzelf, maar ook de andere wetgeleerden
bezig hield. Dit laat ook zien dat hij iemand was die God echt liefhad en
daardoor ook ontvankelijk is voor wat Jezus had te zeggen. Hij had een geest
in zich dat hij wilde weten wat juist en rechtvaardig is, in tegenstelling
tot velen van zijn lotgenoten. Deze waren met elkaar aan het redetwisten
omdat Jezus hen op zo een wijze had geantwoord dat ze er niets tegen konden
inbrengen.
12:29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor,
Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere.
Jezus quotteert Deuteronomium waar staat “Hoor, Israel: de Here is onze God; de Here is een!” 6:4. Deze woorden maken duidelijk dat er maar
één God is en ze waren heel belangrijk voor de Israelieten gezien ze deze
woorden dagelijks herhaalden. In de grondtekst staat er ‘YHWH is onze God,
YHWH is één YHWH’. De naam YHWH die sommigen uitspreken als Jehova en
anderen als Yahweh, geeft weer dat YHWH de enige God is die Souverein is.
Zoals er staat geschreven “Daarop zeide Mozes tot God: Maar
wanneer ik tot de Israelieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij
tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam? wat moet ik hun dan
antwoorden? Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide:
Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.
Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen: De
Here, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God
van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil
Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht”
Exodus 3:14-16. Het mag duidelijk zijn dat God wilde dat Israel weten dat
Hij alleen God was, en dat er buiten Hem geen God is (vgl Jesaja 45:21-23;
Hosea 13:4 ). Omdat er maar één God is, zijn alle andere goden afgoden en
hen die deze goden nalopen zijn zonder God en zonder hoop in deze wereld
(Handelingen 19:26; 1 Korintiërs 12:2; 2 Korintiërs 6:16; 1
Tessalonissenzen 1:9; Kolossenzen 3:5). Gelovigen moeten zich dus niet
schamen om te verkondigen dat zij de ware God dienen. Zo
zijn er ook velen die in een andere Jezus geloven dan de Jezus van de
Schrift (vgl 2 Korintiërs 12:4). Jezus zei “Geen slaaf
kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben,
of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij
kunt niet God dienen en Mammon”
Lukas 16:13. “Gij kunt
niet de beker des Heren drinken en de beker der boze geesten, gij
kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der boze
geesten” 1
Corinthe 10:21.
12:30 En gij
zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel,
en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.
Dit is het tweede gedeelte van Mozes’ woorden “Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw
ziel en met geheel uw kracht” Deuteronomium 6:5. En deze
Here, die de enige God is, zult gij liefhebben met heel uw wezen. Dit laat
zien hoe God wil dat ’s mensen houding en hartsgesteldheid behoren te zijn
tov Hem. Dit is het gewichtigste gebod volgens Jezus. Het liefhebben van God
betekent het niet liefhebben van zichzelf of zijn eigen leven. “En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het
Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet
liefgehad, tot in de dood” Openbaring 12:11. Jezus
zei eerder al met deze woorden “Wie vader
of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter
liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zijn kruis niet opneemt en
achter Mij gaat, is Mij niet waardig” Matteus 10:37-38.
12:31 En het
tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er
is geen ander gebod, groter dan deze.
Het tweede gebod, gelijk aan het eerste is om de naaste liefhebben als
zichzelf (Leviticus 19:18). De liefde die een mens voor God heeft wordt
zichtbaar door de liefde deze persoon heeft voor zijn medemens. Matteus vult
aan “Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de
profeten” Matteus 22:40. “Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want
dit is de wet en de profeten”
Mattheus 7:12. Je gaat je naaste niet slecht behandelen omdat je zelf ook
niet slecht wil behandeld worden. Er is geen groter gebod dan deze. De
naaste is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God (Genesis 1:26;
Jakobus 3:8-9). “Indien gij echter de koninklijke wet
vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan
doet gij wel. Doch indien gij met aanzien des persoons handelt, doet gij
zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding” Jakobus 2:8-9 (vgl Romeinen 13:8-10) . Dit
betekent dat mensen elkaar moeten dienen, christenen onder elkaar in het
bijzonder (Galaten 6:10; 5:13-14), zelfs indien dit betekent dat we lijden
en kwaad moeten verduren omdat we met God rekening houden (1 Petrus 2:10),
“Indien gij echter elkander bijt en vereet, ziet dan
toe, dat gij niet door elkander verslonden wordt” Galaten 5:15. “Indien
iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een
leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan
ook God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. En dit gebod hebben wij
van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben” 1
Johannes 4:20-21 (vgl 1 Johannes 3:17-19; 4:7-8).
12:32 En de
Schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester! Gij hebt wel in waarheid gezegd, dat
er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
De Schriftgeleerde erkende dat Jezus in waarheid sprak dat er maar één God
is en dat er geen andere God is dan Hij (vgl Jesaja 43:10-11; 45:5-6). Geen
enkele Jood kon deze woorden ontkennen zonder daarbij de wortel van het
Joodse geloof te ontkrachten, daarom ook dat deze Schriftgeleerde erkende
dat Jezus waarheid sprak.
12:33 En Hem
lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit
geheel de ziel, en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als
zichzelf, is meer dan al de brandoffers en de slachtoffers.
Vgl Amos 5:21-24; Micha 6:6-8; 1 Korintiërs 13:1-3.
“Gerechtigheid en recht doen, is de Here
welgevalliger dan offers” Spreuken 21:3. Het was
hierin waar de Joden in Jezus’ tijd in faalden, ze brachten offers maar
waren niet barmhartig , ze gaven tienden maar waren niet trouw (Matteus
23:23; Lukas 11:42). Daaruit bleek ook dat de liefde Gods niet in hen was.
Deze Schriftgeleerde was anders, hij begreep wat het gewichtigste was en zo
moeten ook wij zijn voorbeeld daarin volgen.
12:34 En Jezus
ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet ver
van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.
Jezus zag dat deze Schriftgeleerde verstandig had geantwoord. Daarom zegt
Hij hem ook dat hij niet ver van het Koninkrijk Gods is (vgl Lukas 17:21;
Markus 9:1), gezien Jezus wist wat er in de mens omging (Johannes 2:25).
Omdat zijn hart erop was gesteld om God in waarheid te dienen, zou hij het
evangelie ter behoudenis aanvaarden van zodra het werd gepredikt vanaf de
pinksterdag (vgl Handelingen 2:36-47). De anderen durfden Jezus niets meer
te vragen, “En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin
durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen” Matteus 22:46.
12:35 En Jezus
antwoordde en zeide, lerende in de tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden,
dat de Christus een Zoon van David is?
“Toen de Farizeeen
bijeen waren, vroeg Jezus hun, zeggende: Wat dunkt u van de Christus? Wiens
zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon” Matt 22:41-42. “Hoe kan men zeggen, dat de
Christus een zoon van David is?” Lukas 20:41. Tot nu toe had Jezus zichzelf
verdedigt tegenover de listen van de Joodse schriftgeleerden, maar nu gaat
Jezus hen een vraag stellen waardoor hun onkunde openbaar wordt. Jezus stelt
hen de vraag wiens zoon de
Christus is. Terecht zeggen ze dat de Schrift leert dat Hij Davids Zoon is
(2 Samuel 7:12-13; Psalm 89:3-4; 132:11; Lukas 1:32; Johannes 7:41; Matteus
21:9). Maar Jezus’ punt zal hun denken prikkelen om zich niet vast te
pinnen op enkel dat feit, maar zal hen doen inzien dat de Christus meer is
dan alleen Davids Zoon. Jezus maakt het volk duidelijk hoe zwak en
onvolkomen de prediking was van hen die zich de uitleggers van Gods Woord
lieten noemen. Wanneer ze Gods Woord respecteerden dan zouden ze
geconcludeerd hebben dat Christus meer is dan Davids Zoon.
12:36 David
zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot Mijn
Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot
een voetbank van Uw voeten.
David zei onder inspiratie van de Geest Gods “Aldus luidt het woord des Heren
tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb
als een voetbank voor uw voeten” Psalm 110:1 (zie
ook Psalm 110:2-3). Jehova God
maakte met deze woorden bekend dat de Messias niet slechts Davids Zoon was.
Petrus zegt dat David niet diegene was die naar de hemel is opgevaren maar
Christus (Handelingen 3:34-36), waar de Hebreën-schrijver duidelijk maakt
dat Christus meer dan de engelen is “En
tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand,
totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten?” Hebreën 1:13. Het maken van vijanden tot de voetbank van de voeten is
een oud symbolisch gebruik van koningen om hun overwinning weer te geven
(vgl Jozua 10:24; Psalm 47:3-4). De heerschappij van Christus aan de
rechterhand Gods zal duren totdat de laatste vijand is onttroond, nl de dood
(vgl 1 Korintiërs 15:24-26; Hebreën 10:13).
12:37 David dan
zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare
hoorde Hem gaarne.
De vraag die Jezus de Schriftgeleerden stelt is dus deze: “hoe kan
Christus Davids Zoon zijn, terwijl David hem zijn Here noemt?”.
Als David hem erkende als zijn meerdere, nl zijn Adonai (hetgeen
gelijk is aan God), hoe kan David dan zeggen dat de Christus zijn zoon is en
dus zijn mindere. Deze vraag kan alleen maar worden beantwoord door te
erkennen dat Christus zowel mens als God is (Romeinen 1:3-4). De Joden, in
hun verwachting van een aardse koning, hadden door zich vast te pinnen op
één feit, het zicht verloren op de Goddelijkheid van de Messias. Ze hadden
moeten weten dat als mens, Jezus Davids Zoon was, maar als God, Jezus Davids
Heer was. In tegenstelling tot de Schriftgeleerden, hoorden de mensen Jezus
graag spreken. “En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin
durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen” Matteus 22:46.
12:38 En Hij
zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar
gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;
Jezus waarschuwde het volk over het horen en volgen van deze zogenaamde
geleerde mannen. De wijze waarop zij zich kleedden en gedroegen in het
publiek was om eer van mensen te ontvangen. “Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de
mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, zij
houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de
synagogen, en van de begroetingen op de markten en om door de mensen rabbi
genoemd te worden” Matteus 23: 5-7 (vgl Lukas 11:43; 20:46).
De woorden die Jezus sprak worden ‘Zijn leer’ genoemd (vgl Markus 4:2),
waarvan staat geschreven “Een
ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God
niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon” 2 Johannes 9. Terecht mogen wij ons de vraag stellen waarom vandaag de
dag velen tegen Jezus’ leer in handelen zoals de Joodse leiders dat deden.
Paulus zegt hierover “Indien
iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden
van onze Here Jezus Christus en de leer der godsvrucht, dan is hij
opgeblazen, hoewel hij niets weet” 1 Timoteus 6:3-4. Niet alleen het offer van
Jezus is bepalend voor onze behoudenis maar ook de leer die we navolgen!
(vgl 1 Timoteus 4:16; Efeziërs 4:14-15)
12:39 En de
voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de
maaltijden;
De Joodse leiders begeerden de beste plaatsen in de synagogen en bij de
maaltijden zodat iedereen hen kon zien (vgl Jakobus 2:2-3).
12:40 Die de
huizen der weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Dezen
zullen zwaarder oordeel ontvangen.
Jezus maakte de overleggingen van hun harten bekend. Door hun vooraanstaande
positie in de maatschappij hadden zij veel invloed. Maar zij gebruikten hun
invloed niet om God te dienen, maar om zichzelf te dienen. Je kan het
vergelijken met de schandalen in de Roomse afvallige kerk van wie vele
priesters kleine kinderen misbruiken. De leiders van Israel maakten misbruik
van de zwakte van de weduwen om zichzelf te verrijken. Dit deden ze onder
het voorwendsel van barmhartigheid en ontferming. Paulus waarschuwt ons voor
mensen “die met een schijn
van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een
afstand. Want tot hen behoren zij, die zich in de huizen indringen en
vrouwtjes weten in te palmen, die met zonden beladen zijn en gedreven worden
door velerlei begeerten” 2 Timoteus 3:5-6. Over zulke mensen zegt
hij verder “men moet hun de
mond snoeren, daar zij gehele gezinnen ondersteboven keren en, om oneerlijke
winst te maken, onbehoorlijke dingen leren” Titus 1:11. Zulke
mensen zijn gelijk parasieten, ze teren op anderen. De Joodse leiders
spraken voor de schijn lange gebeden uit waardoor zij een zwaarder oordeel
zullen ontvangen. Jezus bad ook lange gebeden (Lukas 6:12), maar Hij deed
het met een rein hart dat verlangde om door gebed in gemeenschap te zijn met
Zijn Vader.
12:41 En Jezus,
gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de
schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
Vgl 2 Koningen 12:9-18; Deuteronomium 16:16-17; Johannes 8:20. Jezus zat
tegenover de schatkist en zag hoe de mensen daar geld in wierpen ter
ondersteuning van de tempeldienst. Jezus beoordeelde hun gedrag. Hij zag dat
vele rijken veel geld in de kist wierpen, maar Jezus zag niet alleen de
hoeveelheid geld dat ze erin wierpen, Hij kon ook zien met welke motivatie
ze dat deden. Voor God is de motivatie even belangrijk, of zelfs nog
belangrijker dan het uitvoeren van een gebod (vgl Handelingen 10:1-4; 1
Korintiërs 16:1-2; 2 Korintiërs 8:1-3).
12:42 En er kwam een arme weduwe, die twee
kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
“Hij zag ook een
behoeftige weduwe twee koperstukjes daarin werpen” Lukas 21:2. In
tegenstelling tot de vele rijken die veel geld gaven, kwam er ook een arme
weduwe die daarin 2 penningen wierp. Een penning was de kleinste munt van de
Joden. Het was dus van zeer weinig waarde wat zij in de kist wierp. Markus
verklaart de waarde van de 2 penningen aan de Romeinse lezers van
zijn evangelie, nl het had de waarde van een oort/duit.
12:43 En Jezus,
Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg
u, dat deze arme weduwe meer
ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.
Jezus riep Zijn discipelen tot Zich om hen een belangrijke les te leren.
“Waarlijk, Ik zeg
u, deze arme weduwe heeft meer dan allen daarin geworpen” Lukas 21:3. Deze weduwe had meer eerbied voor de tempeldienst dan alle
anderen. Ze ontkende zichzelf en gaf met een oprecht hart. Dit is de regel
naar dewelke God ons beoordeelt “Want
als de bereidvaardigheid aanwezig is, is zij welkom naar hetgeen zij heeft,
niet naar hetgeen zij niet heeft” 2 Korintiërs 8:9.
Deze houding staat in schril contrast met het gedrag van de Joodse leiders
die zichzelf veel onrechtmatig voordeel gaven, laat staan dat ze ware offers
brachten.
12:44 Want zij
allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar
gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.
“Want deze allen
hebben van hun overvloed iets bij de gaven geworpen, maar zij heeft van haar
armoede haar ganse levensonderhoud erin geworpen” Lukas 21:4. De
meerderheid gaf uit een klein deel van hun overvloed, terwijl deze weduwe
een groot deel gaf uit haar armoede. Ze vertrouwde erop dat God zou
voorzien, wat laat zien dat deze vrouw een groot geloof had. “Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn
broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe
blijft de liefde Gods in hem?” 1 Johannes 3:17 (vgl Filippenzen 4:10-17).
13:1 En toen
Hij uit de tempel ging, zeide
een van Zijn discipelen tot Hem: Meester! zie, hoedanige stenen, en
hoedanige gebouwen!
“En toen sommigen
van de tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd
was, sprak Hij” Lukas 21:5. “En
Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om
Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen” Matteus 24:1.
Eerder die week had Jezus de tempel gereinigd van hen die Gods huis
ontheiligden. En eerder die dag had Jezus een oordeel uitgesproken over de
Joods leiders, Jeruzalem en de natie Israel (Matteus 23, in het bijzonder
vers 31-39). Jeruzalem verlatende en kijkende naar de berg Sion waarop
Jeruzalem was gelegen, sloeg de eenvoudige Galilese vissers met
verwondering. Zij waren de pracht en de grootsheid van de gebouwen van de
tempel niet gewoon. Sommige stenen waren volgens Tacitus een 15-tal meter
lang, 7-tal meter breed en 5-tal meter hoog. Een discipel wijst Jezus op de
pracht en praal van de gebouwen.
13:2 En Jezus,
antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een
steen op de andere steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
‘Zijt gij in verwondering over deze gebouwen?’ vraagt Jezus hem: “Wat gij daar aanschouwt, er
zullen dagen komen, waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die
niet zal worden weggebroken” Lukas 21:6. Er zullen dagen komen
profeteert Jezus dat er geen steen op de andere zal gelaten worden die niet
zal worden afgebroken. De grootsheid van de gebouwen gaven niet de
geestelijke armoede en zondige harten weer van het Joodse volk. Zij erkenden
de Messias niet en zouden het voorwerp worden van Gods wraak (vgl Lukas
19:37-44).
13:3 En toen
Hij gezeten was op de Olijfberg, tegenover de tempel, vroegen Hem Petrus, en
Jakobus, en Johannes, en Andréas, alleen:
Zo groot als hun verwondering eerst was over de gebouwen van de tempel, is
nu hun verwondering over hetgeen Jezus daarover zei nog groter. En toen
Jezus op de Olijfberg zat vroegen de 4 discipelen Hem daarover. De Olijfberg
ligt ten oosten van Jeruzalem en geeft een mooi uitzicht op de stad.
13:4 Zeg ons,
wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen
alle voleindigd zullen worden?
“En zij vroegen Hem
en zeiden: Meester, wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken, dat
deze dingen zullen gebeuren?” Lukas 21:7. De
discipelen wilden weten ‘wanneer’ dit zou geschieden en wat ‘het
teken’ zou zijn van die tijd dat de tempel zou worden verwoest. “Toen Hij op de Olijfberg
gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons
wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de
voleinding der wereld?” Matteus 24:3. Volgens Matteus, die ons meer informatie geeft,
associeerden de discipelen de vernietiging van de tempel en Jeruzalem met de
voleinding van de wereld. In Matteus kan dan ook een duidelijk onderscheid
worden gemaakt tussen hetgeen Jezus zegt over de vernietiging van de tempel
(Matteus 24:4-31) en over de wederkomst van Christus op de oordeelsdag
(Matteus 24:36-25:46). De verzen 32-35 van Matteus 24 leren ons dat hetgeen
ervoor staat beschreven in die generatie Joden in vervulling zou gaan, want
Jezus zegt “Voorwaar, Ik zeg u, dit
geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt” Matteus 24:34. Jezus had deze profetische woorden ingeleid door het
veroordelen van de Joodse leiders wanneer Hij zei dat al het rechtvaardige
bloed dat vergoten is vanaf Abel over dit geslacht zou komen. Hun huis zou
aan hun worden overgelaten totdat zij zouden zeggen “gezegend Hij die komt in de Naam des Heren!” (Matteus 23:34-38), hetgeen een profetie van David is over de komst
van de Messias en de afwijzing door de Joden (Psalm 118:22-29; Matteus 21:9;
42-43).
Hoewel de woorden in Matteus 24, Lukas 21 en Markus 13 niet altijd even
gemakkelijk zijn te begrijpen, zal de ernstige bijbel lezer geen
eigenmachtige uitlegging geven en duidelijk het onderscheid kunnen maken
tussen hetgeen voor en na vers 34 staat. Merk de volgende verschillen op:
|
-“Die generatie” Matt 23:36
-“Abnormale tijden gaan vooraf” Matt 24:4-13
-“In die dagen”Matt 24:19,22,29
-“Zij zullen het weten” Matt 24:15,33
-“Tijd om te vluchten naar de bergen” Matt 24:16
-“Beperkt, plaatselijk oordeel over het volk Israel” Matt 24:15-22
-“Op voorhand waarschuwingen” Matt 24:32-33
-“Spoedig te komen oordeel” Matt 24:15-16
-“Oordeel op aarde” Matt 24:15-18
|
-“Al de volken” Matt 25:32
-“Normale tijden” Matt 24:37-42
-“Op die dag” Matt 24:36,42,44,50; 25:13
-“Zij zullen het niet weten” Matt 24:36,42,44,50; 25:13
-“Geen tijd om te vluchten” Matt 24:39
-“Universeel oordeel over alle volken der aarde” Matt 25:31-46
-“Geen waarschuwing” Matt 24:43-44
-“Uitgesteld oordeel” Matt 24:48-50; 25:5,19
-“Oordeel in de hemel” Matt 25:31
|
13:5 En Jezus,
hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
Jezus begint hun vragen te beantwoorden met een waarschuwing dat ze zich
door niemand zouden laten verleiden, di dat ze zich niet van de waarheid
zouden laten afleiden, zich zouden laten bedriegen, afvallig worden.
13:6 Want velen
zullen komen onder Mijn Naam,
zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.
Het woord Christus komt in de meeste grondteksten niet voor. “Want velen zullen komen onder
mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet
achterna” Lukas 21:8. Want er zouden er velen komen onder Jezus’ Naam zeggende
dat zij de Messias zijn en dat de tijd van de verwoesting van Jeruzalem
nabij is. Het nieuwe testament geeft ons een inzicht dat er in die tijden
vele bedriegers waren die de mensen misleidden (Handelingen 5:34-37; 8:9-10;
21:38). Paulus waarschuwt de christenen voor het ontvangen van een ander
evangelie en voor het verdragen dat er een andere Jezus wordt gepredikt
(Galaten 1:6-9; 2 Korintiërs 11:4).
13:7 En wanneer
gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet
verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.
Ze zouden horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen, maar dat moest
hen niet beangstigen, want dat moest geschieden maar het was nog niet het
einde van de tempel en de daaraan Joodse godsdienst. Hoewel Jezus de wet van
Mozes aan het kruis heeft genageld (Efeziërs 2:13-15: Kolossenzen 2:13-15;
Galaten 3:23-25; Hebreën 10:9-10), ging de tempeldienst door na Jezus’
dood tot op de verwoesting van Jeruzalem. Romeinse gescheidenis leert ons
dat de tijden die aan de verwoesting vooraf gingen zeer onrustig waren. De
keizers Caligula, Claudius I en Nero dreigden met oorlog met de Joden omdat
het Joodse monotheïsme een keizercultus in de weg stond. Met de dood van
Nero in 68 na Christus die het Romeinse Rijk bankroet en in totale chaos
achterliet, braken er met de keizers Galba, Otho en Vitellius woelige tijden
aan (bron wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Nero_(keizer)).
13:8 Want het
ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het
andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen,
en er zullen hongersnoden wezen, en beroeringen. Deze dingen zijn maar
beginselen der smarten.
Volken en koninkrijken zouden tegen elkaar opstaan. De Romeinen voerden
onderling oorlog, maar ook met andere volken en koninkrijken. Ook de Joden
kenden verschillende gewelddadige conflicten met oa de Samaritanen en de
Syriërs, met als hoogtepunt de oorlog met Rome die duurde van 66 tot 70 na
Christus. Maar Jezus zegt dat er ook aardbevingen zouden zijn op
verschillende plaatsen. Kreta kende in 46 nCh een grote aardbeving, Rome in
51 nCh, Laodicea in 60 nCh, Pompeï in 63 nCh, volgens
Josephus kende Judea er één die gepaard ging met beangstigende stormen en
nog vele anderen. Over de hongersnoden lezen we in het nieuwe testament “Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen,
dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook
gekomen is onder Claudius” Handelingen 11:28. Het is ook niet
onlogisch te denken dat oorlogen en aarbevingen hongersnood, ziekten en
beroering veroorzaken. Maar al deze dingen waren nog niet het einde, maar
het begin van de weeën. “Want volk zal
opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier,
dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dat alles is het begin der
weeen” Matteus 24:7-8.
13:9 Maar ziet
gij voor uzelf toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen,
en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en
koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.
Nu Jezus hen gewaarschuwd heeft voor wat er rondom hen zou gaan gebeuren,
richt hij zich tot zijn discipelen. Zij moesten toezien op zichzelf, want
zij zouden worden overgeleverd aan de gerechtshoven en zij zouden gegeseld
worden in de synagogen. De apostelen zouden voor stadhouders en koningen
worden gesteld om Jezus’ Naam om een getuige te zijn (vgl 2 Korintiërs
11:22-27). Jezus had over Paulus gezegd “deze is Mij een
uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en de
kinderen Israels; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille
van mijn naam” Handelingen 9:15-16 (vgl Lukas 21:12; Handelingen 23; 25:11-12;
26:32). De apostelen werden niet berecht omdat zij verkeerd deden, maar
omdat zij het getuigenis van Jezus verkondigden. “Het zal voor u hierop uitlopen, dat gij zult
getuigen” Lukas 21:13. Petrus en Johannes werden voor het Sanhedrin gebracht
(Handelingen 5:27-30), Stefanus voor de Raad (Handelingen 6:12-15), Jacobus
en Petrus voor Herodes (Handelingen 12:2-3), Paulus voor de keizer Nero
(Handelingen 25:12; 27:24; 2 Timoteus 4:16), alsook voor de Romeinse
gouverneurs Gallio, Felix en Festus (Handelingen 18:12; 24; 25; 28), alsook
voor koning Agrippa (Handelingen 26:1). Zij
die gelovig werden, ontvingen het evangelie onder zware druk zoals 1
Tessalonissenzen 1:6-7 ons leert.
13:10 En het
Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.
Hetgeen hen zou overkomen moest hen niet verontrusten of verontmoedigen, zij
moesten het evangelie prediken onder al de volken voordat het einde van
Jeruzalem zou zijn gekomen. Paulus zegt in 63 nCh tegen de Kolossenzen dat
het evangelie wereldwijd was gepredikt: “de prediking der waarheid, het
evangelie, dat tot u gekomen is. Immers, in de gehele wereld draagt het
vrucht en wast het op, zoals ook bij u, sedert de dag, dat gij het gehoord
hebt en de genade Gods in waarheid hebt leren kennen, … het evangelie, dat
gij gehoord hebt en dat verkondigd is in de ganse schepping onder de hemel,
en waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben” Kolossenzen 1:5b-6, 23b. Over het geloof van de Romeinen werd in de
gehele wereld gesproken (Romeinen 1:8), Paulus predikte in Arabië (Galaten
1:17), van Jeruzalem tot Illyrië toe (Romeinen 15:19), hij reisde door
Klein Azië, Griekenland, Kreta, Italië, … . “En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele
wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het
einde gekomen zijn” Matteus 24:14.
13:11 Doch
wanneer zij u wegleiden zullen, om u over te leveren, zo weest te voren niet
bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure
gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar
de Heilige Geest.
Wanneer zij zouden worden weggeleid om overgeleverd te worden moesten zij
niet bezorgd zijn wat zou zouden gaan spreken. Ze moesten het niet op
voorhand gaan overdenken, noch zich zorgen gaan maken over vragen die zouden
worden gesteld, want het zou hen ingegeven worden door de Heilige Geest. Ze
moesten spreken wat God in hun mond legde. De Geest gaf hun in de mond wat
ze moesten spreken, ze werden door God geleerd, geleid en gesterkt, zoals
Jezus hen eerder ook had gezegd “de Trooster, de
Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren
en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb” Johannes 14:26 en
“doch wanneer Hij komt, de Geest
der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal
niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de
toekomst zal Hij u verkondigen” Johannes 16:13(vgl 2 Petrus 1:20-21; Efeziërs
3:3-5; 1 Korintiërs 2:6-13; 2 Timoteus 3:16) .
13:12 En de ene
broeder zal de andere broeder overleveren tot de dood, en de vader het kind;
en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.
De vervolging zou zich niet enkel tot de apostelen beperken, de ene broeder
zou de andere overleveren tot de dood, maar ook een vader zijn kind en
kinderen zouden opstaan tegen hun ouders om hen te doden. Deze haat was er
omwille van het geloof in Christus. Haat gedreven door godsdienstwaanzin
heeft in de geschiedenis van de mensheid geleid tot de gruwelijkste
vervolgingen en oorlogen. Tacitus schrijft dat tijdens de vervolging van de
christenen onder Nero, christenen elkaar hebben verraden (di afvallige
christenen). Jezus had eerder gezegd “Meent
niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet
gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om
tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en
haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands
huisgenoten zullen zijn vijanden zijn” Matteus 10:34-36. De haat tegen Christus is
vaak sterker dan de liefde voor het familielid dat gelooft.
13:13 En gij
zult gehaat worden door allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal
tot het einde, die zal zalig worden.
Allen zouden de apostelen en hen die in het woord van de apostelen
geloofden (Johannes 17:20), haten (vgl Handelingen 28:22; Jacobus 4:4; 1
Petrus 2:12; 3:16; 4:14-16). In de bergrede zei Jezus “Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil,
want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijt gij, wanneer men u
smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo
hebben zij de profeten voor u vervolgd” Matteus 5:10-12. De tegenstand moest hen
duidelijk maken dat zij leden om de Naam van Christus en dat zij daardoor
zalig waren. Ze moesten volharden tot het einde om zalig te worden en niet
opgeven. “Doch geen haar van uw hoofd zal
teloor gaan; door uw volharding zult gij uw leven verkrijgen” Lukas 21:18-19. Dit betekende niet dat ze niet zouden lijden, maar dat
hun hemelse Vader hen behouden uit de verwoesting van Jeruzalem zou brengen
als ze zouden luisteren naar de woorden dezer profetie. Tot nu toe heeft
Jezus gesproken over de tekenen die het einde van Jeruzalem voorafgingen,
maar die het einde nog niet waren. Maar nu gaat Jezus de zeggen wanneer het
zal gebeuren.
13:14
Wanneer gij dan zult zien de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet
Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die
merke daarop!) alsdan, die in Judéa zijn, dat zij vluchten op de bergen.
“Zodra
gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn
verwoesting nabij is. Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen,
en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet
binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat
geschreven is, in vervulling gaat”
Lukas 21:20-22.
Daniël had geprofeteerd over een gruwel der verwoesting en over de tijd dat
slachtoffer en spijsoffer zouden ophouden (Daniël 9:24-27). Jezus zegt dat
de omsingeling van Jeruzalem door legerkampen de vervulling is van die
profetie. Zij zouden deze “op
de heilige plaats zien staan”
Matteus 24:15. Nadat door hongersnood de Joodse verdediging ernstig was
verzwakt, begon Titus in 70 na Christus met de laatste belegering van
Jeruzalem om een einde te brengen aan de Joodse opstand die al 4 jaar
duurde. Jeruzalem viel en de tempel werd verwoest (bron: wikipedia
http://nl.wikipedia.org/wiki/Joodse_oorlog). Jezus waarschuwde de apostelen
en hen die in hun woord geloofden om te vluchten wanneer zij Jeruzalem
omsingeld zagen. Zij die in de stad waren moesten eruit wegvluchten naar de
bergen en zij die op land waren moesten niet in de stad gaan. De verwoesting
zou dan nabij zijn, want dit waren de dagen van de vergelding (Matteus
23:34-39 !!!). Het feit dat Jeruzalem in 70 nCh is verwoest laat zien dat
Jezus’ Woorden zegt “Voorwaar,
Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles
geschiedt”
Matteus 24:34een kleine 40 jaar later daadwerkelijk in vervulling zijn
gegaan. De vernietiging van Jeruzalem en haar heiligdommen is de verwoesting
waarvan Daniël zei dat ze op het einde van de 70 weken zou komen. Dit was
het oordeel van God over Israel en het einde van de Joodse tempeldienst want
zonder tempel konden de Joden hun godsdienst niet meer uitvoeren.
13:15
En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit
zijn huis weg te nemen.
Zij die op de daken van hun huizen waren moesten niet eerst nog wat
bezittingen proberen mee te nemen, want de Romeinse troepen zouden Jeruzalem
volledig gaan omsingelen.
Merk op dat wanneer Jezus wederkomt op de oordeelsdag, ongelovigen zullen
worden gestraft, de aarde zal worden vernietigd en de gelovigen met Christus
in de hemel zullen zijn (2 Tessalonissenzen 1:7-10; 2 Petrus 3:7-13; 1
Tessalonissenzen 4:15-17). Dit laat zien dat vluchten totaal niet mogelijk
is op de oordeelsdag zoals Jezus ook bevestigt “Doch
van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet,
ook de Zoon niet, maar de Vader alleen … Daarom, weest ook gij bereid,
want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen”
Mattheus 24:36,44 (vgl 1 Tessalonissenzen 5:3-5). Dus als Jezus hier in
Marcus 13:15 zegt van te vluchten, spreekt Hij wel degelijk over tijden en
gelegenheden die ze konden herkennen opdat ze konden vluchten., dus gaat het
hier over de verwoesting van Jeruzalem in 70 nCh en niet over een tijd die
nog in onze toekomst ligt.
13:16
En die op de akker is, kere niet weer terug, om zijn kleed te nemen.
Zij
die op de akkers waren, moesten niet terugkeren naar de stad om wat klederen
mee te nemen.
13:17
Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen!
Jezus
uit zijn bezorgdheid over zwangere en zogende vrouwen in die dagen. Een
snelle en voorspoedige vlucht lag niet voor de hand omdat de zwangerschap en
zogende kinderen de vlucht bemoeilijkten. De wraak die over Jeruzalem zou
komen was groot en wee diegene die achterbleef! De Romeinen slachtten hele
families af en overlevenden werden als slaven verkocht. “Want
er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en
zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd
worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden,
totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn”
Lukas 21:23-24.
13:18
Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.
Ze moesten bidden dat hun vlucht niet in de winter zou vallen, omdat ook de
winter hun vlucht uit Jeruzalem zou bemoeilijken. Hoewel de toorn over
Jeruzalem niet was te vermijden, konden ze wel bidden dat hun vlucht
voorspoedig mocht zijn. “Bid,
dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat”
Matteus 24:20. Men zegt dat op de sabbat de poorten van de stad werden
gesloten waardoor vluchten onmogelijk was, daarom moesten zij ook bidden de
omsingeling niet op een sabbat zou zijn.
13:19
Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is
van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook
niet zijn zal.
De
intensiteit Jeruzalems belegering, de gevolgen van haar
verwoesting, en Gods vergelding over het ongeloof van het Joodse volk kent
zijn gelijke niet in de geschiedenis van de mensheid. Israel had al
moeilijke tijden van oorlog en onderdrukking meegemaakt en was al 2-maal in
ballingschap gevoerd, maar deze belegering zou dat allemaal overtreffen.
Josephus schrijft in zijn boek ‘De Joodse Oorlog’ over de belegering dat
hij van geen enkele stad weet die zulk een ellende heeft meegemaakt sinds
het begin van de wereld. Hij zei ‘Als
echter iemand mij onterecht kwalijk neemt, dat ik zo emotioneel ben als ik
het heb over die tirannen of terroristen, of als ik het rampzalige lot van
mijn stad zo diep betreur, moet hij mij daarin maar laten begaan, hoewel ik
weet dat het in strijd is met een onbevooroordeelde geschiedschrijving. Ons
Jeruzalem had onder het bewind van de Romeinen een grotere voorspoed en
geluk bereikt dan welke andere stad dan ook, maar viel daarna terug in de
meeste barre ellende. Ik denk dat alle rampspoed van alle mensen, vanaf het
begin van de wereld, in het niet valt vergeleken met de ellende van de
Joden. En dan te bedenken dat zij dat allemaal aan zichzelf te wijten hebben’.
Verder
zegt Josephus
‘Roman soldiers went in numbers into
the lanes of the city, with their swords drawn, they slew those whom they
overtook, without mercy, and set fire to the houses wither the Jews were
fled, and burnt every soul in them, and laid waste a great many of the rest;
and when they were come to the houses to plunder them, they found in them
entire families of dead men, and the upper rooms full of dead corpses, that
is of such as died by the famine; they then stood in horror at this sight,
and went out without touching anything. But although they had this
commiseration for such as were destroyed in that manner, yet had they not
the same for those that were still alive, but they ran every one through
whom they met with, and obstructed the very lanes with their dead bodies,
and made the whole city run down with blood, to such a degree indeed that
the fire of many houses was quenched with these men's blood’ (The Wars
Of The Jews, 6:8:5).
13:20 En indien
de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om
de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.
Josephus zegt dat Titus eerst de inwoners van Jeruzalem wilde uithongeren
(Joodse Oorlogen, boek I. 12,1). Daarom bouwde hij een muur en een gracht om
de stad waardoor geen voedsel, noch mensen de stad binnen of buiten konden.
Maar omdat zijn aanwezigheid door omstandigheden in Rome nodig was, zag hij
af van een lange belegering en drong de stad binnen en veroverde haar. De
dagen van de belegering werden daarom ingekort. Door de tijd heen heeft God
mensen uitverkoren. In het nieuwe testament zijn de uitverkorenen de
christenen (1 Petrus 1,1-2), nl de geroepen heiligen (Romeinen 1:7), die God
Zich heeft uitverkoren toen Hij hen riep door het evangelie ter behoudenis
(2 Tessalonissenzen 2:13-15; 1 Tessalonissenzen 1:4-7; vgl Efeziërs
1:3-6). De christenen zijn Gods uitverkoren volk geworden doordat het
verkoren volk Israel Christus heeft verworpen. God had ervoor gekozen om de
Christus te laten voortkomen uit het volk Israel, toen hij aan Abraham de
belofte deed dat door hem alle geslachten op aarde zouden gezegend worden
(Genesis 12:1-3). Maar toen Israel de beloofde Christus en Zijn evangelie
verwierpen, verwierpen zij God en daardoor werden zij Zijn vijanden. In
Romeinen 11 legt Paulus uit dat het vleselijke Israel slechts ten dele is
verworpen, gezien hijzelf als Jood christen is geworden (11:1-2). Zij die
zich uit de Joden bekeren tot Christus worden terug bij Gods volk gevoegd
(11:13-24; vgl Matteus 21:33-43).
Uitverkoren kan dus in Markus 13:20 verwijzen naar de christenen die in
Jeruzalem zijn gebleven tijdens de belegering ondanks Jezus’
waarschuwingen om te vluchten, of het kan verwijzen naar hen die zich uit de
Joden tot Christus zouden bekeren in deze tijden van grote duisternis,
gezien de belegering het hele Joodse volk zou kunnen hebben uitgeroeid.
Daarom heeft God deze dagen verkort, Hij bepaalde hoelang de verdrukking
duurde.
13:21 En
alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij
is daar; gelooft het niet.
Jezus waarschuwt Zijn discipelen nogmaals voor de verleidingen in die dagen.
De Joden verwachtten nog steeds de Messias die zij in Christus niet hebben
erkend, deze zogezegde messias zou Jeruzalem dan komen verlossen van de
verdrukking van Rome. De satan, die zich voordoet als een engel des lichts
(2 Korintiërs 11:14), zal in deze tijden gebruik maken om de uitverkorenen
te verleiden tot afval en wetteloosheid (2 Tessalonissenzen 2:8-12). Wanneer
er mensen kwamen die zeiden dat de Christus hier of daar was, dan moesten
zij het niet geloven. Psalm 110:1-2,5-6
leert ons dat Christus regeert aan Gods rechterhand en dat Hij natiën
gebruikt als instrumenten van Zijn wraak (vgl 1 Korintiërs 15:23-27;
Handelingen 2:30-36). Zo leert het oude testament ons dat God Israel strafte
dmv Assyrië en Juda dmv Babylon (Jesaja 5:5-7; Habakuk 1:6-11). Het volgen
van deze valse messiassen zou hen in strijd met God brengen omdat Christus
Rome gebruikte om Israel te straffen.
13:22 Want er
zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en
wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de
uitverkorenen.
Er zouden in deze verwarde tijden valse Christussen en valse profeten
opstaan, die tekenen en wonderen doen om mensen te verleiden (vgl
Deuteronomium 13:1-3; 18:15). Josephus schrijft in zijn boek de Joodse
oorlogen in hoofdstukken 4, 5 en 6 over de leugenachtige profeten die er
waren voor en tijdens de belegering van Jeruzalem. De uitverkorenen in
Christus mochten zich niet laten verleiden door hen en hun bedrieglijke
krachten.
13:23 Maar gij
ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!
Jezus waarschuwt Zijn discpelen dat ze waakzaam moesten zijn omdat Hij hen
alles had voorzegd. Wanneer deze dingen begonnen te gebeuren moesten ze
denken aan wat Jezus hen had gezegd. Het spreekwoord zegt ‘een verwittigd man is er 2 waard’.
13:24 Maar in
die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal
haar schijnsel niet geven.
In die dagen, na de verdrukking van de verwoesting van Jeruzalem zal de zon
verduisterd worden en de maan zal haat licht niet meer geven. Jezus, een
bekwaam leraar van de oudtestamentische geschriften (Lukas 2:46-47),
gebruikt hier dezelfde profetische taal. Jesaja profeteerde tegen Babel
(Jesaja 13:1,10,17) dat God de Meden tegen hen zou opwekken om weer te geven
dat hun heerschappij tot een einde zou komen (Jesaja 13:19). In Ezechiël
32:7-8 worden deze profetische woorden gebruikt om het einde van de macht
van de Egyptische farao aan te geven. In Jesaja 34:4-5 wordt de val van Edom
aangegeven door gelijkaardige taal. Evenzo profeteert Jezus hier in Marcus
13:24 tegen Jeruzalem dat haar einde is gekomen en gebruikt Hij dezelfde
elementen die de ondergang van een volk of een grootse gebeurtenis
weergeven. In Joel 2:1,10, 28-32 spreekt de profeet met gelijkaardige
profetische woorden over de grote, geduchte dag des Heren die zou komen. In
Handelingen 2:14-36 leert de apostel Petrus ons dat deze profetie gaat over
de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag en het begin van de
verkondiging van het evangelie hoewel het taalgebruik de onkundige
bijbellezer ertoe zou kunnen aanzetten om te denken dat Jezus spreekt over
de dag dat de wereld geoordeeld zal worden, nl over de wederkomst.
13:25 En de
sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten die in de hemelen
zijn, zullen bewogen worden.
“En er zullen
tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder
de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen
bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want
de machten der hemelen zullen wankelen” Lukas 21:25-26. Babylon (Jesaja 13:10) was
net als Jeruzalem verheven boven andere volken zoals de sterren verheven
staan in de hemel, maar door hun slechtheid greep God in zoals er staat
geschreven “Gerechtigheid verhoogt een
volk, maar zonde is een schandvlek der natien” Spreuken 14:34
(vgl Jesaja 10:5-8).
13:26 En alsdan
zullen zij de Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht
en heerlijkheid.
“En dan zal het
teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle
stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen
zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid” Matteus 24:30.
Rekening houdend met het feit dat Jezus zegt dat al deze dingen over dit
geslacht zouden komen (Markus 13:30; Matteus 24:34), moeten deze woorden
evenmin letterlijk worden genomen als de
zon die verduisterd zal worden, de maan die haar glans niet meer geeft, de
sterren die uit de hemel vallen en de krachten die in de hemel wankelen. We
mogen deze woorden daarom niet uitleggen alsof het hier gaat over de
wederkomst op de oordeelsdag (vgl 2 Petrus 3:7-13). Over het oordeel dat
over Egypte zou komen in oudtestamentische tijden, profeteert Jesaja “De Godsspraak over Egypte. Zie,
de Here rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden
van Egypte voor Hem en het hart van Egypte versmelt in zijn binnenste” Jesaja 19:1. Wanneer Jeruzalem viel, zoals voorspeld door Jezus, kon
een ieder in haar verwoesting zien dat Jezus kwam in de wolken met grote
kracht en heerlijkheid, rijdende op een wolk. De psalmist zegt in Psalm
104:1-3 dat de Here de wolken tot Zijn wagen maakt wanneer Hij Zijn macht
uitoefent. Gelijkaardig zegt Jezus tegen de hogepriester “van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien,
gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels” Matteus 26:64. Jezus is gezeten aan de rechterhand Gods (Handelingen
2:33; Daniël 7:13-14), waar Hem alle macht is gegeven in de hemel en op de
aarde (Matteus 28:18). Wanneer Jezus Zijn macht uitoefent en een oordeel
brengt over Jeruzalem dan ziet men Hem figuurlijk komen op de wolken net
zoals Egypte de Here op een wolk zag komen.
13:27 En alsdan
zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen
uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.
Dan zal God zijn engelen (boodschappers) uitzenden om de uitverkorenen
bijeen te vergaderen. “Daartoe
heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de
heerlijkheid van onze Here Jezus Christus” 2 Tessalonissenzen
2:14. Jeruzalem kon de christenen niet meer vervolgen zoals ze dat tot nu
toe hadden gedaan (vgl Handelingen 8:1-3).Jeruzalem verhinderde de mensen om
tot Christus te komen, eerst de gelovige Joden en daarna ook de heidenen
(Lukas 11:52; 1 Tessalonissenzen 2:14-16). Deze tegenstand werd door God de
kop ingedrukt en de boodschappers van het evangelie konden nu het evangelie
verkondigen in de vier hoeken van de aarde (Romeinen 10:12-18). Hoewel deze
woorden ook gebruikt worden om te verwijzen naar Jezus’ wederkomst (1
Tessalonissenzen 4:17), laten de volgende verzen zien dat ze hier niet in
die context worden gebruikt.
13:28 En leert
van de vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de
bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
Jezus zegt hen dat ze van de gelijkenis van de vijgeboom het volgende
moesten leren: wanneer men ziet dat de tak van de vijgeboom week wordt en
bladeren geeft dan weet men dat de zomer nabij is. Zo konden ze aan de
symptomen herkennen wat en wanneer deze dingen zouden plaatsvinden.
13:29 Alzo ook
gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij,
voor de deur is.
Op dezelfde wijze moesten zij het onderscheid maken dat wanneer ze zagen
gebeuren wat Jezus voorspelde, dat het nabij was, dat het voor de deur
stond.
13:30 Voorwaar,
Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbij gaan, totdat al deze dingen
zullen geschied zijn.
Dat wat Jezus heeft voorspeld in de voorgaande verzen zou zijn vervulling
kennen in dit geslacht, nl de Joden tot wie hij deze woorden spreekt. Die
generatie zou niet voorbijgaan totdat alles wat Jezus tot nu toe heeft
voorspeld zou zijn geschied. Dit laat ook zien dat de voorgaande woorden
niet gesproken zijn in relatie tot de wederkomst van Christus, maar in
relatie tot de verwoesting van Jeruzalem, de tempel en het einde van de
Joods natie als Gods volk. Vergeet niet dat Jezus voor deze profetie over de
val van Jeruzalem tegen de Joden had gezegd “opdat
over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde van
het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon
van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.
Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht” Matteus 23:35-36.
Gelijkaardig had Jezus eerder gezegd “Ik zeg u in waarheid, er zijn sommigen onder degenen
die hier staan, welke voorzeker de dood niet zullen
smaken, voordat zij het Koninkrijk Gods gezien hebben” Lukas 9:27. In de eerste eeuw na Christus zegt Paulus dat de
christenen overgebracht waren van het Koninkrijk van de Zoon (Kolossenzen
1:13-14). Dus als Jezus zegt dat die dingen in die generatie in vervulling
zouden gaan, dan zou dat ook zo zijn (vgl Jesaja 40:8; 55:11; 1 Petrus
1:24-25). Zij die anders zeggen, noemen God een leugenaar (Titus 1:2).
13:31 De hemel
en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins
voorbijgaan.
In 2 Petrus 3:10-13 zegt Petrus dat de huidige hemel en aarde zullen
verdwijnen en vervangen worden door een nieuwe hemel en aarde (Hebreën
1:10-12). Jezus zegt dit ook, nl dat de hemel en aarde voorbij zullen gaan,
maar in tegenstelling tot datgene wat zal voorbijgaan zegt Jezus dat Zijn
Woorden niet zullen voorbijgaan.
13:32 Maar van
die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch
de Zoon, dan de Vader.
Waar Jezus tot nu toe gesproken heeft over die dagen en de tekenen waaraan
die dagen konden worden herkend (Markus 13:17, 19, 24), spreekt hij nu over
één specifieke dag en een uur waarvan niemand weet. Hoewel Jezus Gode
gelijk was (Filippenzen 2:6), moest ook Jezus groeien in kennis en wijsheid
(Lukas 2:52). Niet de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de
Vader weet van die dag. Jezus sprak wat Hij van de Vader had gehoord
(Johannes 8:26, 38; 12:49; 14:10). Dit waren dingen waarover de Vader de
beschikking aan Zichzelf heeft gehouden (Handelingen 1:7). Dus alleen de
Vader weet van de dag en de ure dat de hemel en aarde zullen verdwijnen, nl
de dag dat Jezus wederkomt. Deze dag komt als een dief in de nacht (1
Tessalonissenzen 5:2). Jezus gaat nu van het tijdelijk, plaatselijk oordeel
van Jeruzalem over naar het eeuwige universele oordeel van de mensheid (vgl
Matteus 24:37-42). Zie nogmaals de vergelijking:
|
-“Die generatie” Matt 23:36
-“Abnormale tijden gaan vooraf” Matt 24:4-13
-“In die dagen”Matt 24:19,22,29
-“Zij zullen het weten” Matt 24:15,33
-“Tijd om te vluchten naar de bergen” Matt 24:16
-“Beperkt, plaatselijk oordeel over het volk Israel” Matt 24:15-22
-“Op voorhand waarschuwingen” Matt 24:32-33
-“Spoedig te komen oordeel” Matt 24:15-16
-“Oordeel op aarde” Matt 24:15-18
|
-“Al de volken” Matt 25:32
-“Normale tijden” Matt 24:37-42
-“Op die dag” Matt 24:36,42,44,50; 25:13
-“Zij zullen het niet weten” Matt 24:36,42,44,50; 25:13
-“Geen tijd om te vluchten” Matt 24:39
-“Universeel oordeel over alle volken der aarde” Matt 25:31-46
-“Geen waarschuwing” Matt 24:43-44
-“Uitgesteld oordeel” Matt 24:48-50; 25:5,19
-“Oordeel in de hemel” Matt 25:31
|
13:33 Ziet toe,
waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
“Waakt dan, want
gij weet niet, op welke dag uw Here komt” Matteus 24:42. “Ziet toe op uzelf, dat uw hart
nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor
levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik. Want
hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde.
Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan
alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de
Zoon des mensen” Lukas 21:34-36. Omdat ze niet wisten van die dag en van die ure,
moesten de discipelen toezien op hun wandel (Efeziërs 5:15-17), ze moesten
waken en bidden dat ze altijd klaar zouden zijn om God te ontmoeten.
13:34 Gelijk
een mens, buitenslands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten
macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken;
Ook om dit punt te maken spreekt Jezus in een gelijkenis. Een mens gaat naar
het buitenland op reis en liet zijn huis over aan zijn slaven. Dezen kregen
een volmacht om te handelen en elk kreeg zijn werk. De deurwachter kreeg de
opdracht om te waken. In Matteus 24:36-25:30 geeft Jezus nog verschillende
gelijkenissen die het volgende moet leren “Daarom,
weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de
Zoon des mensen. Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over
zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven? Zalig die
slaaf, die zijn heer bij zijn komst zo bezig zal vinden” Matteus 24:44-46.
Het Woord van God is een betrouwbare gids om de mens Gods volkomen te maken,
tot alle goed werk volkomen toe te rusten (2 Timoteus 3:14-16). Wanneer we
de leer van Jezus en zijn apostelen navolgen dan weten we hoe we ons moeten
gedragen “Mocht ik nog
uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods,
dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid” 1 Timotheus 3:15 (vgl 1 Petrus 4:15). Zij die in de leer van Christus
blijven hebben zowel de Vader als de Zoon (2 Johannes 9), zij die overtreden
hebben de Zoon niet. “Daarom,
mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde
overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is
in de Here” 1 Korintiërs 15:58.
13:35 Zo waakt
dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds
laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond);
“Maar als die slaaf
slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou
beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken,
dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht,
en op een uur, dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het
lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het
tandengeknars” Matteus 24:48-51. Christenen moeten steeds toezien op hun leven, dat
ze in het licht wandelen gelijk Gij in het licht is (1 Johannes 1:7), om
heilig te zijn gelijk Hij heilig is (1 Petrus 1:15-16) en om niet nalatig te
zijn want in zo iemand heeft God geen behagen (Hebreën 10:37-39).
13:36 Opdat hij
niet onvoorziens komt, en u slapende vindt.
Gods kinderen worden gekenmerkt door geloof dat door liefde werkt (Galaten
5:6). Zij die niet bezig zijn met Gods Wil zullen slapende gevonden worden
“hij zal hem folteren en hem in
het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het
tandengeknars” Matteus 24:51.
13:37 En wat Ik
u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.
Daarom dat Jezus hen waarschuwt om te waken, alert te
zijn. We zijn gewaarschuwd!
14:1 En het pascha, en het feest der ongezuurde broden was na twee dagen. En
de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid
vangen en doden zouden.
“En
het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geeindigd had, dat Hij tot zijn
discipelen zeide: Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan
wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden”
Matteus 26:1-2.
(vgl Johannes 11:55; 13:1). Het Passcha was een jaarlijks feest ter
gedachtenis dat de engel des doods het volk was voorbijgegaan in de nacht
dat de eerstgeborenen van de Egyptenaren werden gedood (Exodus 12:1-14).
Gedurende het feest van de ongezuurde broden mochten ze vanaf de 14de
dag van de maand tot de avond van de 21ste dag van de maand niets
gezuurd eten, noch in huis hebben (Exodus 12:15-20, zie ook Leviticus
23:5-6; Numeri 28:16-17). “Het
feest nu der ongezuurde broden, dat Pascha genoemd wordt, naderde”
Lukas 22:1.
De Joodse leiders konden niets inbrengen tegen Jezus’ Woorden en daarom waren ze op zoek hoe ze Jezus door een list konden vangen en doden.
“Toen
kwamen de overpriesters en de oudsten des volks bijeen in het paleis van de
hogepriester, genaamd Kajafas, en zij beraamden een plan om Jezus door list
in handen te krijgen en te doden”
Matteus 26:3-4, “want
zij waren bang voor het volk”
Lukas 22:2.
14:2
Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het
volk worde.
De Joden kwamen van heinde en ver om het feest van de ongezuurde broden te
gedenken. Jezus was zeer geliefd door het volk (Markus 11:1-10) en de mensen
hoorden hem graag spreken (Markus 12:37). De Joodse leiders wilden Hem
daarom niet gedurende het feest gevangennemen gezien zij vreesden voor een
opstand van het volk.
14:3
En toen Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, waar Hij
aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van
onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende,
goot die op Zijn hoofd.
Toen Jezus aantafel zat in Bethanië, in het huis van een zekere Simon die
melaats was geweest, kwam een vrouw Hem zalven. Johannes leert ons dat deze
vrouw Maria was “Jezus
dan kwam zes dagen voor het Pascha te Betanie, waar Lazarus was, die Jezus
uit de doden had opgewekt. Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan
en Marta bediende, en Lazarus was een van hen, die met Hem aan tafel waren.
Maria dan nam een pond echte, kostbare nardusmirre, en zij zalfde de voeten
van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur der mirre
verspreidde zich door het gehele huis”
Johannes 12:1-3. Zij zalfde zowel Jezus’ voeten die ze met haar haren
afdroogde, als Jezus’ hoofd als blijk van eerbied en erkenning (vgl Lukas
7:37-38). De olie die zij daarvoor gebruikte was zeer waardevol. Nardus was
een plant uit Oost-Azië waarvan uit de wortel olie werd bereid.
14:4
En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelf, en zeiden:
Waartoe is dit verlies van de zalf geschied?
Sommigen,
met Judas als woordvoerder (Johannes 12:4), namen het Maria zeer kwalijk dat
zij dit deed. “Toen
de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die
verkwisting?”
Matteus 26:8.
14:5
Want deze had boven de driehonderd penningen verkocht, en die de armen
gegeven kunnen worden; en zij vergrimden tegen haar.
“Maar
Judas Iskariot, een van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zeide: Waarom
is deze mirre niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen
gegeven? Maar dit zeide hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde,
maar omdat hij een dief was en als beheerder der kas de inkomsten wegnam”
Johannes 12:4-6.
Deze olie werd volgens hem geschat op meer dan 300 penningen, wat
gelijkstond aan een jaarloon van een dagloner (vgl Matteus 20:1-2). Judas de
dief, gedreven door geldzucht, zorgde ervoor dat ook de andere discipelen
tegen Maria tekeer gingen over deze in hun ogen grote verspilling. Judas had
dus een dubbele agenda, hij deed alsof hij rechtvaardig was, maar misbruikte
iets goed voor zijn eigen zelfzuchtige doeleinden. Wee de mens, die
godsdienstig handelt uit eigenbelang! Wee de mens die het Woord van God
misbruikt om zonden te verbergen of goed te praten! “En
toch staat ongeschokt het hechte fundament Gods met dit merk: De Here kent
de zijnen, en: Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de
ongerechtigheid”
2 Timotheus 2:19.
14:6
Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft
een goed werk aan Mij gedaan.
Jezus
reageert op het felle gedrag van de discipelen en zegt hen dat ze haar met
rust moeten laten. De reactie van de discipelen had Maria duidelijk
verontrust. Jezus bevestigt dat wat Maria had gedaan een goed werk aan Hem
was (vgl Kolossenzen 1:10; Efeziërs 2:8-10; Titus 2:11-14).
14:7
Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun
weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.
(vgl Deuteronomium 15:11). Jezus zegt hen ook waarom Maria een goed werk had
gedaan. Hij zou namelijk niet altijd fysiek bij hen blijven gezien hij
binnen enkele dagen zou worden gekruisigd, de armen daarentegen zouden er
wel altijd zijn. Het is de plicht en een goed werk van de christen om aan
Christus te geven wat Hem toekomt, maar ook om aan de armen te geven als
dienst aan Christus (Matteus 25:35-45; 1 Johannes 3:16-19).
14:8
Zij heeft gedaan, wat zij kon; zij is van tevoren gekomen, om Mijn lichaam
te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
Maria
wilde haar liefde voor Christus tonen en ze
heeft het gedaan zoals het in haar mogelijkheid was. Ze liet haar
toewijding en geloof in Hem zien door het beste van haarzelf te geven. “Jezus
dan zeide: Laat haar begaan en het bewaren voor de dag mijner begrafenis”
Johannes 12:7, “Want
toen zij deze mirre over mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om mijn
begrafenis voor te bereiden”
Matteus 26:12.
14:9
Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele
wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van wat zij
gedaan heeft.
Jezus
voorspelt dat de daad van Maria in het evangelie zal worden opgenomen. Dat
evangelie waarvan Hij eerder had voorspeld dat het in de hele wereld zou
worden gepredikt voordat Jeruzalem ten val zou komen, zoals gebeurd is in 70
na Christus (Markus 13:10; 16:15-16; Kolossenzen 1:23).
14:10
En Judas Iskáriot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters,
opdat hij Hem hun zou overleveren.
“En
de satan voer in Judas, genaamd Iskariot, die tot het getal der twaalven
behoorde. En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdlieden,
hoe hij Hem aan hen zou overleveren”
Lukas 22:3-4. “Toen
ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, en
hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren”
Matteus 26:14-15.
Het plan om Jezus te doden tijdens het Passcha, waarvan de Joodse leiders
hadden afgezien omdat ze de reactie van de mensen vreesden, kreeg een nieuwe
wending. Judas, gedreven door zondige begeerten, was naar hen toegegaan en
vroeg hen hoeveel ze bereid waren hem te betalen als hij Jezus aan hun zou
overleveren. Judas begeerde de zonde en opende daardoor de deur voor de
satan om binnen te komen.
14:11
En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij
zocht, hoe hij Hem op een geschikte wijze overleveren zou.
De
goddeloze leiders van Israel waren verblijd toen zij een partner in hun
zonden vonden. Ze konden hun plan om Jezus zo vlug mogelijk te doden toch
uitvoeren. Judas was gelijk hun, zij waren gelijk Judas. “En
zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven. En hij stemde
daarmede in en zocht een goede gelegenheid om Hem, buiten de schare om, aan
hen over te leveren”
Lukas 22:5-6. “En
zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een
goede gelegenheid om Hem over te leveren”
Matteus 26:15b-16.
14:12 En op de eerste dag van
de ongezuurde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn
discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij
het pascha eet?
Het was de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer het Pascha werd
geslacht (voor Pascha zie commentaar op 14:1). De discipelen waren net als
vele andere Joden speciaal naar Jeruzalem gekomen om dit feest te vieren. Ze
vragen aan Jezus waar Hij wilde dat ze de voorbereidselen voor het feest
zouden treffen (vgl Exodus 12:6-8). Want er moest een lam bekomen, geslacht
en klaargemaakt worden. De Joden rekenden hun dagen van zonsondergang tot
zonsondergang. Dus in de avondschemering van 14 Nisan, in het begin 15 Nisan
werd het paaslam geslacht ter gedachtenis van de bevrijding van de
Egyptische slavernij.
14:13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat heen
in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt
die;
“En Hij zond Petrus
en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, maakt het Pascha voor ons gereed,
opdat wij het kunnen eten. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het
gereed maken?” Lukas 22:8-9. Petrus en Johannes krijgen de
opdracht van Jezus om naar een stad te gaan, waar ze iemand die een
waterkruik draagt zullen tegenkomen. Deze moesten zij volgen. Jezus was
Alwetend (vgl Markus 11:2-3; Hebreën 4:13).
14:14 En zo
waar hij ingaat, zegt tot de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de
eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
In het huis waar de kruikdrager binnenging, moesten ze de heer des huizes
vragen naar de eetzaal waar Jezus het Pascha met de discipelen zou kunnen
eten.
14:15 En hij
zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons
aldaar.
Jezus zei hen dat de heer des huizes hen zou wijzen
naar een grote opperzaal die volledig klaar is. “En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van
alles voorzien: maakt het daar gereed”Lukas
22:12. Deze kamer was een aparte kamer, meestal op het dak van het huis,
waar ze voldoende plaats hadden om de voorbereidingen van het Pascha te
treffen en om er samen te eten.
14:16 En Zijn
discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun
gezegd had, en bereidden het pascha.
“En de discipelen
deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed” Matteus 26:19. De discipelen vonden de woorden
van Jezus zoals Hij ze had voorspeld en ze bereidden het Pascha. Dit
gebeurde allemaal voor donderdagavond (op 14 Nisan).
14:17 En toen
het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
En toen het avond geworden was, dus op 15 Nisan, kwam
Jezus met de twaalf naar de opperzaal. “En toen het uur aangebroken was, ging Hij
aanliggen en de apostelen met Hem”
Lukas 22:14. Johannes leert ons dat voor de maaltijd de voeten van de
discipelen waste (Johannes 13:1-20).
14:18 En toen zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat
een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.
Tijdens het eten van het Pascha zei Jezus “Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal” Matteus 26:21. “Doch zie, de hand van hem, die Mij verraadt, is
met Mij aan de tafel” Lukas 22:21. Zie ook
Johannes 13:21-30. De voorkennis dat Judas Hem zou verraden, maakte het
verraad niet minder zwaar of pijnlijk. “Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en
Hij getuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij
verraden” Johannes 13:21.
14:19 En zij
begonnen bedroefd te worden, en de een na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik
het? en een ander: Ben ik het?
De discipelen waren gekwetst en verontrust over Jezus’ woorden en begonnen
allemaal aan Hem te vragen “Ben
ik het?”. “De
discipelen zagen elkander aan, in het onzekere, van wie Hij sprak. Een van
de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus; hem dan gaf
Simon Petrus een wenk en zeide tot hem: Zeg, wie het is, van wie Hij
spreekt. Deze, aanstonds zich aan de borst van Jezus werpende, zeide tot
Hem: Here, wie is het?” Johannes 13:22-25. “En zij begonnen er onder elkander over te
twisten, wie van hen het wel zijn kon, die dat zou doen” Lukas 22:23.
14:20 Maar Hij
antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in de
schotel indoopt.
Jezus zei dat de verrader één van de twaalf was,
één die met Hem van dezelfde schotel at. Jezus zei “Die is het, voor wie Ik het stuk brood indoop en
wie Ik het geef. Hij doopte dan het stuk brood in en nam het en gaf het aan
Judas, de zoon van Simon Iskariot. En na dit stuk brood, toen voer de satan
in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doen wilt, doe het met spoed. Maar
niemand van de aanliggenden begreep, waartoe Hij hem dit zeide; want
sommigen meenden, dat Jezus, omdat Judas de kas hield, tot hem zeide: Koop
wat wij nodig hebben voor het feest, of dat hij iets aan de armen moest
geven. Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht.” Johannes 13:26-30.
14:21 De Zoon
des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee die mens,
door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens
niet geboren ware geweest.
“De Zoon des mensen
gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie
de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als
hij niet geboren was. Judas, zijn verrader, antwoordde en zeide: Ik ben het
toch niet, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd” Matteus 26:24-25. De Zoon des mensen zou heengaan
zoals de profeten hadden voorspeld (Jesaja 53; Psalm 16:10; 22:1; Lukas
24:44-46), maar wee die mens door wie dit verraad is gekomen. De zondige
begeerten van Judas hadden van zijn leven een werktuig van satan gemaakt.
God gebruikte Judas’ boos hart om Zijn Wil te volbrengen. God gebruikt de
zonde van Judas ten goede voor de mensheid. Maar voor de mens die zich zoals
Judas laat leiden door zondige begeerten, is het beter dat hij niet was
geboren geweest (Matteus 18:6-7). Het lot van Judas laat zien dat zulke
mensen een droevig einde tegemoet gaan, hier in dit leven, maar ook in het
hiernamaals (Matteus 27:3-5; Handelingen 1:16-20, 25; Psalm 109:6-20).
14:22 En toen
zij aten, nam Jezus brood, en toen Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf
het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
“En Hij nam een
brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is
mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis” Lukas 22:19. En terwijl zij aten nam Jezus een
stuk ongezuurd brood, sprak een dankzegging uit, brak het en gaf het aan
Zijn discipelen en zei “Neemt,
eet, dit is mijn lichaam” Matteus 26:26. Dit
betekent niet dat het brood letterlijk het lichaam van Christus is, evenmin
als Jezus letterlijk een deur is, wanneer Hij zegt “Ik ben de deur”
Johannes 10:9. Het betekent dat het brood symbool staat voor het lichaam van
Jezus dat voor de mensheid gegeven wordt als offer voor de zonden. Petrus
zegt “die zelf onze
zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden
afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt
gij genezen” 1 Petrus 2:24 (vgl 1 Korintiërs 11:23-24; 5:7-8;
Handelingen 2:41-42; Johannes 1:19).
Het gedachtenismaal is enkel voor hen die leden zijn van het lichaam van
Christus om samen als gemeente te eten (1 Korintiërs 10:14-21; 11:20). Het
gedachtenismaal is niet het eten een ordinaire maaltijd, want zij die dat
doen minachten Gods gemeente (1 Korintiërs 11:22,33). Paulus kwam met de
christenen samen op de eerste dag van de week om het brood te breken
(Handelingen 20:7).
14:23 En Hij
nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die; en zij dronken allen
daaruit.
“En Hij nam een
beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen
daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten
wordt tot vergeving van zonden.” Matteus 26:27-28. Paulus zegt “Evenzo ook de beker, nadat de
maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in
mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis” 1 Korintiërs 11:25. De drinkbeker bevatte de
vrucht van de wijnstok. De wijn stond symbool voor het bloed van Christus’
verbond, het nieuwe testament, dat voor velen vergoten wordt. Ook deze
moesten zij tot Zijn gedachtenis drinken. De Hebreën-schrijver leert ons
dat dit nieuwe verbond in werking is getreden na Jezus’ dood (Hebreën
9:11-18). Elk christen behoort zichzelf te beproeven vooraleer hij/zij
deelneemt, want wie op een onwaardige wijze deelneemt zal zich bezondigen
aan het lichaam van Christus en brengt daardoor een oordeel over zichzelf (1
Korintiërs 11:27-32).
14:24 En Hij
zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat
voor velen vergoten wordt.
Merk op dat Jezus’ bloed werd vergoten doordat men daardoor vergeving van
zonden kan ontvangen. Gelijkerwijs leert Handelingen 2:38 ons dat de mens
zich moet bekeren en laten dopen om daardoor de vergeving van zonden te
ontvangen. Het oude testament was bezegeld met het bloed van dieren maar dit
bloed kon de zonden niet wegnemen (Exodus 24:8; Hebreën 9:19-22; 10:1-4).
Jezus’ bloed daarentegen kan de zonden wegnemen (Hebreën 10:15-18;
Openbaring 1:5; 1 Johannes 2:2,12; 3:5; 1 Petrus 1:18-21). De mens die in
geloof tot Christus komt en in Hem en in Zijn dood wordt gedoopt, wordt
gereinigd door Zijn bloed en kan zichzelf een kind van God noemen (vgl
Galaten 3:26-27; Romeinen 6:3-4; Hebreën 10:22; Openbaring 5:8-10).
Christus is een oorzaak van eeuwig heil voor allen die Hem gehoorzamen
(Hebreën 5:9).
14:25 Voorwaar,
Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok, tot op
die dag, wanneer Ik deze nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.
“Doch
Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de
wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het
Koninkrijk mijns Vaders” Matteus 26:29. Vgl Kolossenzen 3:1-2; Efeziërs
2:6.
14:26 En toen zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de
Olijfberg.
Jezus zong met Zijn discipelen geestelijke liederen. Daarna gingen ze naar
de Olijfberg.
14:27 En Jezus zeide
tot hen: Gij zult in deze nacht allen aan Mij geërgerd worden; want er is
geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.
Jezus bereidt Zijn disicpelen verder voor op Zijn dood en hetgeen ze zouden
meemaken. Hij zegt hen dat ze in deze nacht allen aan Hem aanstoot nemen.
Dit Griekse woord voor ‘aanstoot’ betekent dat ‘iemand een persoon
begint te wantrouwen en te verlaten die hij behoort te vertrouwen en te
gehoorzamen’. Deze ergernissen zijn de vervulling van de profetie gegeven
in Zacharia 13:7 waar staat geschreven “sla
de herder, de schapen worden verstrooid” (P. Canisius -vertaling).
(Vgl Romeinen 8:32; 2 Timoteus 4:16). Christus is de herder van de kudde
Gods, Hij zorgt voor de kudde door hen naar grazige weiden te leiden, te
voorzien van eten en drinken en hen daar te beschermen, en net zoals een
schaapsherder een afgedwaald schaap gaar zoeken en terugbrengt, doet ook
Christus (Psalm 23; 1 Samuel 17:34; Ezechiel 34:11-12, 16; Jesaja 40:11
Hebreën 13:20; 1 Petrus 2:25;5:4). Deze
profetie laat ook zien dat het lijden en sterven van Christus in
overeenstemming was met Gods eeuwige voornemen. Jezus had eerder al gezegd:
“Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor
zijn schapen” Johannes 10:11 (vgl Psalm 100:3; Johannes 10:16,
16:1,32). Nu het moment is gekomen dat Hij Zijn leven zou inzetten voor Zijn
schapen, zouden de schapen verward en verstrooid worden. Ze zouden beschaamd
worden om Jezus als leraar te hebben en om zichzelf als Zijn discipelen te
erkennen. Gebrek aan geloof en geleid door angst zouden ze Christus in de
steek laten.
14:28 Maar nadat Ik
zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa.
In deze moeilijke tijden dat Jezus zou sterven en Zijn discipelen Hem in de
steek zouden laten, geeft Hij hen een belofte. Eerder had Jezus al gezegd
dat Hij op de derde dag zou opstaan (Markus 8:31; 9:31; 10:34). Nu spreekt
Jezus wat er zal gebeuren nadat Hij is opgestaan uit de dood, nl “Ik zal u voorgaan naar Galiléa”. De discipelen
zouden dus na Zijn dood terugkeren naar Galilea, naar hun thuis.
14:29 En Petrus zeide
tot Hem: Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik toch niet geërgerd
worden.
Petrus was vlug om grote woorden te spreken, hij gedroeg zich impulsief, nog
niet zolang geleden vroeg hij aan Jezus of hij diegene was die Hem zou
verraden wat blijk gaf van twijfel in zijn eigen persoon (Markus 14:18-19).
Petrus sprak met een zekere hoogmoed dat hij nooit zou geërgerd worden aan
Hem. De anderen, ja die misschien wel, maar hij nooit. Jezus’ gevangenname
en dood zou geen struikelblok voor hem zijn. Petrus’ reactie gaf blijk van
een sterke liefde voor Jezus, maar ook van teveel vertrouwen in zijn eigen
kunnen. “Wie op eigen
hart vertrouwt, is een dwaas” Spreuken 28:26a (vgl 1 Korintiërs
10:12). Petrus
14:30 En Jezus zeide
tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in deze nacht, eer de haan tweemaal
gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
Jezus voorspelt dat Petrus Hem in diezelfde nacht driemaal zou gaan
verloochenen, hij zou gaan ontkennen dat hij Jezus kende. Dit zou gebeuren
voordat de haan tweemaal had gekraaid. Matteus en Lukas verwijzen naar het
kraaien van de haan als het moment voor Petrus dat hij zich zou herinneren
wat Jezus had gezegd, terwijl Markus meer specifiek zegt dat de haan niet
tweemaal zou hebben gekraaid, voordat Petrus Jezus zou hebben verloochend.
In Marcus 13:35 maakt Jezus het onderscheid tussen het kraaien van de haan
te middernacht en ’s morgens vroeg (vgl Markus 13:35).
14:31 Maar hij zeide
nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins
verloochenen. En eveneens zeiden zij ook allen.
Maar doordat Jezus hem zei dat hij Hem zou gaan verloochenen, zei Petrus met
meer inspanning en grotere kracht dat dat nooit zou gebeuren. “Hij
zeide tot Hem: Here, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan!”
Lukas 22:33 (zie ook 22:31-32). Hij had de wil en het zelfvertrouwen om met
Jezus te lijden en te sterven, maar hij hield niet genoeg rekening met de
kracht van de tegenstander en zijn eigen zwakte. Deze blindheid zorgde
ervoor dat hij Jezus’ waarschuwing niet
in acht nam. Hij had goede voornemens, maar berustte teveel op zijn eigen
kracht! (vgl Jakobus 4:13-15) De andere apostelen
volgden Petrus in dit gedrag.
14:32 En zij kwamen in
een plaats, welker naam was Gethsémané, en Hij zeide tot Zijn discipelen:
Zit hier neer, totdat Ik gebeden zal hebben.
“Na dit gezegd te
hebben, ging Jezus met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron,
waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging. En ook Judas, zijn
verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met
zijn discipelen” Johannes 18:1-2. “En
Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg. En ook
zijn discipelen volgden Hem. En toen Hij aan die plaats gekomen was, zeide
Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt. En Hij zonderde Zich van
hen af, ongeveer een steenworp ver, knielde neder en bad …” Lukas
22:39-41. Jezus zei tegen Zijn discipelen om zich neer te zetten “terwijl Ik heenga om daar te bidden”
Matteus 26:36.
14:33 En Hij nam met
Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te
worden;
Na de 8 discipelen gezegd te hebben om zich neer te zetten, neemt Jezus
Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee. Naarmate Zijn verraad dichterbij
komt, wordt Jezus zeer verschrikt en beangstigd, Hij worstelde in zijn
mens-zijn met deze gevoelens, maar liet het ondanks deze zware strijd niet
na om Zich te keren in gebed tot Zijn Vader. Jezus leerde van wat Hem
overkwam (Hebreën 5:7-10). Het is de derde gelegenheid die we terugvinden
waarbij Jezus deze 3 discipelen apart neemt. De genezing van Jaïrus’
dochter (Markus 5:37) en de gedaanteverandering (Markus 9:2) zijn de andere
twee gelegenheden.
14:34 En zeide tot
hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijft hier, en waakt.
Zich richtende tot de Petrus, Jakobus en Johannes zegt Jezus “Mijn
ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij”
Matteus 26:38. Jezus’ ziel werd overspoeld met angst dat Hij dacht dat Hij
eraan zou sterven. Hij vraagt hen om daar te blijven en samen met Hem te
waken. Jezus had nood aan de nabijheid van Zijn discipelen, opdat dezen met
Hem zouden kunnen waken (vgl Efeziërs 6:18-19). Het is niet dat de
discipelen het lijden zouden kunnen wegnemen, noch wordt dat van hen
verwacht, maar hun nabijheid zou het wel draaglijker maken.
14:35 En een weinig
voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat
die ure van Hem voorbijging.
“En Hij ging een weinig
verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad”
Matteus 26:39. Jezus vroeg aan Zijn Vader om, zo het mogelijk was, de ure
van beproeving aan Hem te laten voorbijgaan. Matteus en Lukas spreken over
het laten voorbijgaan van de beker, dat is de beker van het lijden. “Vader,
indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg; doch niet mijn wil, maar de
uwe geschiede!” Lukas 22:42.
14:36 En Hij zeide:
Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg,
doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.
Jezus’ verlangen is om binnen de wil van Zijn Vader te handelen. De
woorden ‘Abba Vader’ geven een vertrouwen weer dat een kind heeft in
zijn vader die hij liefheeft. God kan alles, maar niet alles is naar Zijn
Wil. Jezus erkent de Vader als Diegene die de macht heeft om daarover te
beslissen (vgl Filippenzen 2:5-11; Romeinen 8:15; Galaten 4:6). Hoewel Jezus
Rechtvaardig was, en God Zijn gebeden aanhoorde, werd Jezus’ gebed om het
lijden weg te nemen niet verhoord omdat dit niet Gods Wil was. Wat God wel
deed was Hem helpen in Zijn grote angst “En
Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd
dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als
bloeddruppels, die op de aarde vielen” Lukas 22:43-44. Jezus
erkende dat de Wil van de Vader moest worden volbracht, ook al was deze niet
altijd even gemakkelijk. Welk een waardevolle les is hier niet in weggelegd
voor hen die in Zijn voetstappen wandelen! Het gaat er in ons leven als
christen niet meer om wat ik denk, ik voel en ik wil, het gaat er om wat God
wil! Jezus had eerder al gezegd “Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de
wil van Hem, die Mij gezonden heeft” Johannes 6:38 en bij de
intocht in Jeruzalem “Nu
is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure!
Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomen” Johannes 12:27.
14:37 En Hij kwam, en
vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon! slaapt gij? Kunt gij niet
één uur waken?
“En toen Hij terugkwam,
vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard” Matteus 26:43.
“En Hij stond op van
het gebed en ging tot zijn discipelen en Hij vond hen slapende van droefheid”
Lukas 22:45. Jezus gaat terug naar de drie en vindt hen slapende en zei tot
Petrus die nog maar pas zijn onvoorwaardelijke trouw naar Hem had geuit “Waart
gijlieden zo weinig bij machte een uur met Mij te waken?” Matteus
26:40. Jezus vraagt Petrus waarom Hij niet
in staat was om één uur te waken. Petrus zou zelfs met Jezus sterven als
dat nodig was, en kijk wat hij nu doet? Hij slaapt. Het was een zeer
emotionele en geestelijk vermoeiende dag geweest en hun neergeslagen geest
veroorzaakte vermoeidheid. Maar waar was Petrus nu, nu Jezus zijn hulp vroeg
en kon gebruiken?
14:38 Waakt en bidt,
opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees
is zwak.
Jezus zegt Petrus en de andere twee om te waken en te bidden dat ze niet in
verzoeking zouden komen door gebrek aan waakzaamheid en gebed. De geest van
de mens is vaak wel gewillig, maar het lichaam van de mens werkt daarin vaak
tegen. Petrus wilde wel waken en bidden, maar zijn zelfvertrouwen was een
zwakheid die hem daarin deed falen. De mens die op zijn eigen kunnen
vertouwt, komt ten val. “Want
het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen
het vlees (want deze staan tegenover elkander) zodat gij niet doet wat gij
maar wenst. Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet
onder de wet” Galaten 5:17-18 (vgl Romeinen 7:14-8:8; Filippenzen
2:12; 1 Petrus 5:8; Openbaring 3:2).
14:39 En weer
heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.
“Wederom, ten tweeden
male, ging Hij heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan
voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede!”
Matteus 26:42. En opnieuw wierp Jezus Zijn bekommernissen en smeekbeden op
Zijn Vader om de beker van het lijden weg te nemen (vgl Lukas 18:1-8; 1
Petrus 5:7; 2 Korintiërs 12:8).
14:40 En weergekeerd
zijnde, vond Hij hen weer slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij
wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.
En teruggekomen bij Zijn discipelen, vond Hij hen weer slapende omdat hun
ogen bezwaard waren. Beschaamd omdat ze niet in staat waren te waken en
bidden, wisten ze niet wat ze Jezus zouden antwoorden.
14:41 En Hij kwam ten
derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de
ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der
zondaren.
En voor een derde keer kwam Jezus terug bij Zijn discipelen, alleen zei Hij
nu om verder te slapen en te rusten omdat de tijd om te waken voorbij was.
Tenminste, als ze dat zouden kunnen, want nu het moment is gekomen dat de
Zoon des mensen zou worden overgeleverd in de handen van zondaren, zal een
vermoeide geest niet tot hun grootste problemen behoren. Lukas 22:47 leert
ons dat terwijl Jezus nog sprak er een grote schare in aantocht was.
14:42 Staat op, laat
ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.
Het ondraaglijke lijden was voorbij, de Vader had Hem kracht en vertroosting
gegeven. Nu kon Jezus Zijn lot tegemoet gaan, Hij kon de wil van de Vader
volbrengen. Het gebed om een last weg te nemen wordt door God beantwoord
door ofwel de last weg te nemen, ofwel de kracht te geven om de last te
dragen.
14:43 En terstond,
toen Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem
een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden door de overpriesters,
en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.
“Judas dan kwam daar,
die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van
de overpriesters en de Farizeeen, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen”
Johannes 18:3. Judas kwam tot Jezus met een afdeling soldaten, hetgeen
neerkomt op ongeveer 500 manschappen. Het laat zien welk een bedreiging
Jezus was voor de overpriesters en ouderlingen (vgl Psalm 2:2; Handelingen
4:23-31). Judas kwam met de grote schare in de nacht gezien de meeste
sympatisanten van Jezus dan aan het slapen waren. Na Jezus’ zelfontkenning
komt het verraad. Het is vaak zo dat wanneer de christen zichzelf in
harmonie met Gods Wil vindt, de grootste beproevingen komen. Het is in deze
momenten dat de echtheid en de beproefdheid van iemands geloof zichtbaar
wordt.
14:44 En die Hem
verried, had hun een overeengekomen teken gegeven, zeggende: Die ik kussen
zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem voorzeker heen.
Judas was overeengekomen om een teken te geven om Jezus aan te duiden. De
kus zou aangeven wie gegrepen en weggevoerd moest worden. Judas kende
Jezus’ kracht en wijst erop dat ze Hem welverzekerd moeten wegvoeren,
waarmee bedoeld wordt dat ze een ontsnapping moesten voorkomen. De vraag kan
worden gesteld waarom Judas ervoor koos om een kus te geven. Een kus was een
teken van begroeting. Wilde Judas zijn verraad verbergen voor de andere
discipelen, wilde hij voor onschuldig doorgaan (Spreuken 27:6)?
14:45 En toen hij
gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste
Hem.
Judas “naderde Jezus
om Hem te kussen. En
Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?”
Lukas 22:47-48.Judas zei “Wees
gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem” Matteus 26:49. Judas sprak Jezus
aan met Rabbi, alsof hij liefde en respect had voor Zijn meester. Nadat
Judas Hem had gekust gebeurde het volgende “Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en
zeide tot hen: Wie zoekt gij? Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeer. Hij
zeide tot hen: Ik ben het. En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen”
Johannes 18:4-5. Jezus vroeg nog een tweede keer wie ze zochten en nadat Hij
voor een tweede keer had gezegd dat Hij het was, vraagt Hij om Zijn
discipelen te laten gaan (lees Johannes 16:6-9).
14:46 En zij sloegen
hun handen aan Hem, en grepen Hem.
En toen arresteerden ze Hem.
14:47 En een van hen,
die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg de dienstknecht van de
hogepriester, en hieuw hem zijn oor af.
“En zie, een van die
bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de
slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zeide Jezus tot hem:
Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard
grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik mijn Vader
niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen
terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die
zeggen, dat het aldus moet geschieden?” Matteus 26:51-54. Johannes
leert ons dat Simon Petrus diegene was die het oor van de slaaf
genaamd Malchus, afsloeg met het zwaard. (Johannes 18:10-11; vgl
Lukas 22:35-36). Het getuigt toch ook weer van de impulsiviteit, maar ook
van de moed van Petrus. Jezus bestraft Hem voor het gebruiken van geweld.
Jezus zegt dat zij die naar het zwaard grijpen, door het zwaard zullen
omkomen. Laat dit een waarschuwing zijn voor elke ziel die denkt het recht
te hebben om het leven van een ander te mogen nemen in oorlogstijd of in
zelfverdediging (vgl 2 Korintiërs 10:3-4; Johannes 18:36). “Toen
zij, die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden zij, Here, willen
wij met het zwaard erop slaan? En
iemand van hen trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor
af. Maar Jezus antwoordde en zeide: Laat het hierbij. En Hij raakte het oor
aan en genas hem” Lukas 22:49-51.
14:48 En Jezus,
antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken,
als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?
“Jezus dan
zeide tot de overpriesters en hoofdlieden van de tempel en oudsten, die op
Hem afgekomen waren: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden
en stokken?” Lukas 22:52. Jezus richt zich nu tot de grote schare
die Hem was komen gevangen nemen. Hij zegt hen dat ze hem behandelden als
een moordenaar die zichzelf verbergt en er niet voor schuwt om geweld te
gebruiken.
14:49 Dagelijks was Ik
bij u in de tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit
geschiedt opdat de Schriften vervuld zouden worden.
Jezus wijst hen erop dat Hij dagelijks in de tempel te vinden was en ze
hebben Hem niet gegrepen. Het laat zien hoe laf en gewiekst ze waren, zij
hadden duistere plannen in hun met zonden beladen harten gesmeed.“Terwijl
Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt gij geen hand naar Mij
uitgestoken. Maar dit is uw ure en de macht der duisternis” Lukas
22:53. Dit alles is echter geschied opdat de schriften van de profeten in
vervulling zouden gaan (Matteus 26:56; vgl Jesaja 50; Psalm 22; Daniël
9:26; Zacharia 13:7). Hun eigen houding om Jezus niet te arresteren toen Hij
in de tempel was, getuigt tegen hen en voor de onschuld van Jezus.
14:50 En zij, Hem
verlatende, zijn allen gevlucht.
“Toen lieten al de
discipelen Hem alleen en vluchtten” Matteus 26:56b. De druk van
beproevingen laten ons ware karakter, onze ware kracht of onze ware zwakheid
zien. De discipelen hadden nog niet zolang geleden beloofd om Jezus tot in
de dood te volgen en hier vluchtten ze weg (zie commentaar op Markus 14:31).
14:51 En een zeker
jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte
lichaam, en de jongelingen grepen hem.
Een jongeling volgde Jezus. Wie hij is, wordt ons niet verteld. Gezien de
discipelen alle waren gevlucht, lijkt het erop iemand te zijn die misschien
door het tumult in de tuin wakker was geworden, want hij had een laken om
zijn naakte lichaam geslagen. Maar toen sommigen uit de schare hem zegen
grepen ze hem.
14:52 En hij, het
lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevlucht.
Toen ze hem grepen is hij kunnen ontkomen, het laken in hun handen latende.
14:53 En zij leidden
Jezus heen tot de hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters,
en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden.
“en brachten
Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar
hogepriester was. Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas. de hogepriester.”
Johannes 12:13,24. Wat er bij Annas gebeurde lezen we in Johannes 18:19-23.
Nadat Jezus bij Annas was geweest, werd Hij naar Kajafas gebracht (Lukas
22:54). Bij hem waren al de overpriesters, ouderlingen en schriftgeleerden
vergaderd, zij vormden samen het Joodse Sanhedrin — het Joodse
hooggerecht.
14:54 En Petrus volgde
Hem van verre, tot binnen in de zaal van de hogepriester, en hij was mee
zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
“En Simon
Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende
van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester
binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de
bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de
portierster en bracht Petrus binnen” Johannes 18:15-16. Het is hier
dat Petrus Jezus zal verloochenen. Petrus volgde Jezus tot binnen in de zaal
van de hogepriester en zat bij de dienaren aan het vuur om zich te
verwarmen. “Toen zij een vuur hadden aangelegd, midden in de
hof, en bij elkander zaten ging Petrus tussen hen in zitten” Lukas
22:55. Petrus ging “tussen
de dienaars zitten om de afloop te zien” Matteus 26:58. “De
slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij
aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te
warmen” Johannes 18:18. ln Lucas lezen we dat Jezus ondertussen
bespot en geslagen wordt (Lukas 22:63-65).
14:55 En de
overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te
doden, en vonden niet.
En toen het
dag geworden was, kwam de Raad van de oudsten van het volk bijeen,
overpriesters en schriftgeleerden. en zij leidden Hem voor hun Raad”
Lucas 22:66. De gehele raad zocht naar redenen om Jezus te doden maar vonden
er geen. Hun voornemen om te wachten na het feest om Jezus door een list in
handen te krijgen en te doden, was plotseling verstoord door Judas die hen
Jezus wilde overleveren (Markus 14:1-2). Nu moesten ze hals over kop
getuigen vinden die tegen Jezus konden getuigen. “De
overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te
vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele
valse getuigen optraden” Matteus 26:59-60.
14:56 Want velen
getuigden vals tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.
De mensen, sterk beïnvloed door de druk en listigheid van de Joodse
leiders, legden valse verklaringen af. De wet van Mozes vereiste echter dat
een beschuldiging moest worden bevestigd door ten minste 2 getuigen (Numeri
35:30; Deuteronomium 17:6; 19:15).
14:57 En enigen,
opstaande, getnigden vals tegen Hem, zeggende:
“Maar ten laatste
traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods
afbreken en binnen drie dagen opbouwen” Matteus 26:61. Markus zegt
dat ook dit getuigenis vals was gezien hun woorden niet helemaal weergeven
wat Jezus had gezegd (vgl Johannes 2:18-21).
14:58 Wij hebben Hem
horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in
drie dagen een andere, zonder handen gemaakt, bouwen.
Jezus had nooit gezegd dat Hij de tempel in Jeruzalem in 3 dagen
zou heropbouwen nadat Hij hem had afgebroken.
14:59 En ook alzo was
hun getuigenis niet eenparig.
En zo legden ook deze twee een getuigenis af over Jezus’
Woorden, maar hun verklaringen kwamen niet overeen met elkaar.
14:60 En de
hogepriester, in het midden opstaande, vroeg Jezus, zeggende: Antwoordt Gij
niets? Wat getuigen dezen tegen U?
Jezus zweeg toen deze beschuldigingen tegen Hem werden geuit. De
hogepriester vraagt Jezus waarom Hij geen antwoord geeft op de
beschuldigingen aan Zijn adres.
14:61 Maar Hij zweeg
stil, en antwoordde niets. Weer vroeg Hem de hogepriester, en zeide tot Hem:
Zijt Gij de
Christus, de Zoon van de gezegende God?
Maar Jezus bleef zwijgen (Matteus 26:63; Jesaja 53:7), Hij
antwoordde niet op de valse beschuldigingen. Het is dan dat
de hogepriester zegt “Ik
bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de
Zoon van God”
Matteus 26:63b. Hij maande Jezus aan om te antwoorden op de vraag of Hij de
Christus, de Zoon van God is.
14:62 En Jezus zeide:
Ik ben het. En gij zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand van
de kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.
“Hij zeide
tot hen: Al zeide Ik het u, gij zoudt het toch niet geloven: en al zou Ik u
vragen, gij zoudt toch niet antwoorden. Van nu aan zal de Zoon des mensen
zijn gezeten aan de rechterhand Gods. En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de
Zoon van God? Hij zeide tot hen: Gij zegt zelf dat Ik het ben”
L,ukas 22:67-70. Al hun bedrog was niet nodig geweest als ze direct aan
Jezus deze vraag hadden gesteld. Jezus had eerder al bevestigd dat Hij de
Christus, de Zoon van God was (Lukas 4:16-21). Jezus bevestigt nu ten
aanhoren van allen met de woorden van Kajafas en met Zijn eigen woorden dat
Hij het is. Jezus gaat verder door twee oudtestamentische profetieën op
Zichzelf toe te passen. Nl dat Hij zou zitten aan de rechterhand Gods om te
heersen (Psalm 110:1-2; Handelingen 2:29-36) en dat ze Hem zouden komen zien
op de wolken des hemels (Daniël 7:13-14,22). Het komen op de wolken heeft
niet alleen betrekking op de wederkomst van Christus op de wolken
(Handelingen 1:11; 1 Tessalonissenzen 4:17), maar ook op het voltrekken van
een oordeel van God (zie commentaar op Markus 13:26).
14:63 En de
hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog
getuigen van node?
Kajafas begreep ten volle wat Jezus impliceerde met Zijn antwoord
en scheurde daarom zijn klederen. Hij was zeer ontsteld en beledigd over het
godslasterende antwoord dat Jezus in zijn ogen had gegeven. Hij stelt zich
daarom ook luidop de vraag waarom ze nog getuigen nodig hadden.
14:64 Gij hebt de
godslastering gehoord; wat dunkt u? En zij allen veroordeelden Hem, des
doods schuldig te zijn.
Op het woord van Kajafas werd Jezus door allen veroordeeld en aan de dood
schuldig bevonden. “Wat
dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is des doods schuldig”
Matteus 26:66. Het valt op dat ze geen getuigen bijeenroepen die kunnen
getuigen over de wonderen en tekenen die Jezus heeft gedaan waardoor Zijn
verklaring waar zou blijken te zijn. Zij hadden Jezus schuldig gevonden aan
godslastering waarop de doodstraf stond volgens de wet van Mozes (Leviticus
24:16).
14:65 En sommigen
begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te
slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem
kinnebakslagen.
“Toen
spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen
sloegen Hem in het gelaat en zeiden:
Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?” Matteus
26:67-68. Deze woorden zijn een vervulling van de profetie in Jesaja 50:6
waar staat “Mijn rug
heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard
uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel”.
14:66 En toen Petrus
beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden van de hogepriester;
Toen Petrus zich aan het warmen was bij het vuur (zie 14:54), kwam de
dienstmaagd van de hogepriester naderbij.
14:67 En Petrus
ziende, die zich warmde, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus
de Nazaréner.
Petrus zat buiten in de
hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus,
de Galileeer” Matteus 26:69. En toen zij Petrus daar bij het vuur
zag, keek zij hem aan en zei dat hij ook bij Jezus was. “En bij het licht van het vuur zag een slavin hem zitten en zij keek hem
scherp aan en zeide: Ook die was bij Hem!” Lukas 22:56 (vgl
Johannes 18:16-17).
14:68 Maar hij heeft
het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet, wat gij zegt. En
hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.
Petrus’ eerste reactie was om te ontkennen wat de dienstmaagd zei en om te
doen alsof hij van niets wist. “Maar
hij loochende het en zeide: Vrouw, ik ken Hem niet!” Lukas 22:57.
Na zijn eerste leugen ging Petrus naar de voorzaal en de haan kraaide een
eerste maal.
14:69 En de
dienstmaagd, hem weer ziende, begon te zeggen tot hen, die daarbij stonden:
Deze is een van die. “Toen
hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar
waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeer” Matteus 26:71. “En
Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem: Gij behoort toch
ook niet tot zijn discipelen? Hij ontkende het en zeide: Ik niet!”
Johannes 18:25. De dienstmaagd die Petrus eerder had gezien, ziet hem nu
weer en zegt tot hen die daarbij stonden dat Petrus één van Jezus’
discipelen is.
14:70 Maar hij
loochende het weer. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden weer
tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileeër,
en uw spraak gelijkt.
“En wederom loochende
hij het met een eed: Ik ken de mens niet” Matteus 26:72. Maar
Petrus loochende voor een tweede keer dat hij Jezus kende. Iets daarna
zeiden omstaanders weer tot Petrus dat ze hem herkenden. Ze konden aan zijn
spraak herkennen dat hij een Galileeër was. “Even
later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook
gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u” Matteus
26:73. “En ongeveer een
uur later verzekerde een ander en zeide: lnderdaadook die man was bij Hem,
want hij is een Galileeer!” Lukas 22:59 (vgl Richteren 12:1-6;
Matteus 12:34-37). Ook een verwant van de man wiens oor Petrus had
afgeslagen herkende hem: “Een
der slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had
afgeslagen, zeide: Zag ik u niet in de hof met Hem?” Johannes
18:26. Petrus zat gevangen in zijn eigen leugens!
14:71 En hij begon
zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet, Die gij zegt.
Petrus voelde de druk van de beschuldigingen en begint in een
wanhoopsdaad zichzelf te vervloeken en voor een derde maal te zweren dat hij
Jezus niet kende.
14:72 En de haan
kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, dat Jezus tot
hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid za hebben, zult gij Mij
driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende,
“En terstond kraaide
een haan” Matteus 26:75a. “En
de Here keerde Zich om en zag Petrus aan. En Petrus herinnerde zich het
woord des Keren, hoe Hij tot hem gezegd had: Eer de haan heden kraait, zult
gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter”
Lukas 22:61-62. Overwelmd door het besef wat hij heeft gedaan ging hij weg
vandaar en weende bitter. Toen de haan voor een tweede maal kraaide,
herinnerde Petrus zich het gesprek met Jezus waarin Hij hem had gezegd dat
hij Hem driemaal zou verloochenen. Jezus’ blik bracht diepe schaamte,
Petrus had immers gezegd “Al
zouden allen aanstoot aan U nemen, ik zeker niet! En Jezus zeide tot hem:
Voorwaar, Ik zeg u, heden, in deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait,
zult gij Mij dri5maal verloochenen. Hij zeide steeds heftiger: Al moest ik
met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen. Evenzo spraken zij ook
allen” Markus 14:29-31 (vgl Ezekiël 36:31; 2 Korintiërs 7:10; 1
Korintiërs 10:12). Hoewel Petrus zwaar in de fout ging, had hij een hart
dat zich kon vernederen en kon toegeven en belijden dat hij gezondigd had (2
Timoteus 2:12-13).
15:1 terstond, des
morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en
Schriftgeleerden, en de gehele raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten
zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over.
Nadat ze eerder hadden Jezus aan de dood schuldig hadden bevonden (Markus
14:64), hielden ze nu vroeg in de morgen opnieuw raad wat hun volgende
stappen zouden zijn. Ze gaven Hem over aan de Romeinse stadhouder genaamd
Pilatus (Matteus 27:1; Lukas 3:1; Psalm 2:2; Handelingen 3:13).
15:2 En Pilatus vroeg
Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij
zegt het.
“Zij brachten Jezus dan
van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch
zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te
verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten. Pilatus dan kwam tot hen
naar buiten en zeide: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Hij geen boosdoener was,
zouden wij Hem niet aan u overleveren! Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij
Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons
niet geoorloofd iemand ter dood te brengen;
opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had,
aanduidende, welke dood Hij sterven zou” Johannes 18:28-32. Het is
dan dat Pilatus aan Jezus vraagt of Hij de Koning der Joden is, waarop Jezus
bevestigend antwoord, daarom is Hij immers in de wereld gekomen, nl om van
de waarheid te getuigen. Zijn Koninkrijk is echter niet van deze wereld want
anders zouden Zijn dienaren hebben gestreden (Johannes 18:34-37; vgl Lukas
1:31-33). Jezus en Zijn onderdanen strijden niet met vleselijk wapens voor
aardse koninkrijken, maar strijden met geestelijke wapenen voor een hemels
Rijk (2 Korintiërs 10:3-6; zie commentaar op Markus 14:47).
15:3 En de
overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.
“En op de
beschuldiging, die de overpriesters en oudsten tegen Hem inbrachten,
antwoordde Hij niets” Matteus 27:12. Zij hadden immers tegen
Pilatus gezegd: “Wij
hebben bevonden, dat deze ons volk verleidt, doordat Hij verbiedt de keizer
belasting te betalen en van Zichzelf zegt, dat Hij de Christus, de Koning is”
Lukas 23:2b. Jezus antwoordde enkel op de vraag of Hij de Koning der Joden
was, maar op de andere leugenachtige beschuldigingen van de Joden antwoordde
Hij niet.
15:4 En Pilatus vroeg
Hem weer, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U
getuigen!
Pilatus, verwonderd door Jezus’ stilte vraagt Hem opnieuw waarom Hij niet
antwoord. Het zou geen probleem zijn geweest voor Jezus om de
beschuldigingen te weerleggen, elke eerlijke ziel zou de valsheid van de
Joodse Raad hebben kunnen doorzien.
15:5 En Jezus heeft
niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
“En Hij antwoordde hem
op geen enkele vraag, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde”
Matteus 27:14 (vgl Jesaja 53:7). “Pilatus
zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind niets strafbaars in deze
mens. Maar zij hielden vol, zeggende: Hij maakt het volk oproerig met zijn
leren door geheel Judea, reeds van het begin af, van Galilea tot hiertoe”
Lukas 23:4-5. Toen Pilatus hoorde dat Hij uit Galilea kwam zond hij Jezus
naar de Herodes die verantwoordelijk was voor dat gebied, maar deze zond
Hem, na Hem gesmaad en bespot te hebben, terug naar Pilatus (Lukas 23:6-12).
15:6 En op het feest
liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden.
Op het Passcha had Pilatus er een gewoonte van gemaakt om een
gevangene vrij te laten ongeacht wat deze ook maar had gedaan. “Pilatus
nu riep de overpriesters en de oversten en het volk bijeen en zeide tot hen:
Gij hebt deze mens bij mij gebracht als iemand, die het volk afvallig maakt
en zie, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid verhoord en in deze mens geen
enkele grond gevonden voor datgene, waarvan gij Hem beschuldigt. En ook
Herodes niet; want hij heeft Hem tot ons teruggezonden. En zie, er is niets
door Hem bedreven, dat de dood verdient.
Ik zal Hem dus geselen en dan loslaten.
Want hij was verplicht hun op het feest iemand los te laten”
Lukas 23:13-17.
15:7 En er was een,
genaamd Bar-Abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer
een doodslag gedaan had.
Er was een man genaamd Barabbas, die samen met andere oproermakers gevangen
zat wegens doodslag. Barabbas was een berucht gevangene (Matteus 27:16) en
een dief (Johannes 18:40). Barabbas was schuldig aan de misdaden waarvan
Jezus werd beschuldigd.
15:8 En de schare riep
uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.
Naar aanleiding van de feestelijkheden van het Pascha begeerde het volk dat
Pilatus de gewoonte om een misdadiger vrij te laten, zou handhaven.
15:9 En Pilatus
antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
“Daar zij nu
toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal
loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dat
zij Hem uit nijd hadden overgeleverd. Terwijl hij nu op de rechterstoel zat,
zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige,
want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden” Matteus
27:17-19. Pilatus geloofde ook dat Jezus onschuldig was.
15:10 (Want hij wist,
dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden).
Pilatus wist dat zij Jezus door nijd hadden overgeleverd, daarom probeerde
hij Jezus op deze wijze alsnog vrij te krijgen. Jezus was door Jeruzalem als
een Koning onthaald, ze spreidden hun klederen en palmtakken op de grond en
beleden dat Jezus de Messias was (Markus 11:8-10). Dit tot grote ergernis
van de Joodse leiders die zich lieten leiden door duivelse begeerten.
15:11 Maar de
overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-Abbas zou loslaten.
Het lijkt erop dat de schare gehoor wilde geven aan Pilatus’
verzoek, maar de overpriesters hitsten de schare op dat hij hun beter
Barabbas zou loslaten. “Maar
de overpriesters en de oudsten overreedden de scharen, dat zij om Barabbas
zouden vragen, maar Jezus zouden laten ter dood brengen” Matteus
27:20. Petrus zegt hier later over “Doch
gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend en begeerd, dat u een man,
die een moordenaar was, geschonken zou worden” Handelingen 3:14.
Het luisteren naar slechte raadgevers brengt verderf bij wie ernaar luistert
(vgl 2 Kronieken 22:4).
15:12 En Pilatus,
antwoordende, zeide weer tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal,
Die gij een Koning der Joden noemt?
Pilatus vroeg hen daarop weer wat ze wilden dat hij dan met Jezus zou doen,
het waren zijzelf immers die Hem de koning der Joden noemden.
15:13 En zij riepen
weer: Kruisig Hem.
En opnieuw begeerden zij dat Jezus zou worden gekruisigd.
15:14 Doch Pilatus
zeide tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? En zij riepen te meer:
Kruisig Hem!
“Hij zeide voor de
derde maal tot hen: Wat heeft deze dan toch voor kwaad gedaan? Ik heb niets
in Hem gevonden, waarop de doodstraf staat. Ik zal Hem dus geselen en dan
loslaten! Maar zij drongen aan en eisten onder luid geschreeuw, dat Hij
gekruisigd zou worden, en hun geschreeuw werd al sterker En Pilatus
besliste, dat aan hun eis moest worden voldaan” Lukas 23:22-24. De
schare was er meer een meer van overtuigd dat Jezus moest worden gekruisigd.
15:15 Pilatus nu,
willende de schare voldoening geven, heeft hun Bar-Abbas losgelaten, en gaf
Jezus over, toen hij Hem gegeseld had, om gekruisigd te worden.
“Toen Pilatus zag, dat
niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, wies zich
de handen ten aanschouwen van de schare en zeide: Ik ben onschuldig aan zijn
bloed; gij moet zelf maar zien, wat ervan komt. En al het volk antwoordde en
zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!” Matteus
27:24-25. Pilatus wilde het volk tevreden stellen, de eerdere geseling van
Jezus was niet genoeg voor het volk, ze wilden Zijn dood. Het is nooit goed
om toe te geven aan zonden, Pilatus had zich met alle macht moeten verzetten
tegen de druk van het volk. Maar hij was spijtig genoeg iemand die meer
bezorgd was om wat mensen over hem zouden denken dan wat God over hem zou
denken.
15:16 En de
krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en
riepen de ganse bende samen;
“Toen namen
de soldaten van de stadhouder Jezus mede naar het gerechtsgebouw en riepen
de gehele afdeling bij Hem samen” Matteus 27:27. Na de geseling
voor het volk namen de soldaten Hem binnen in de zaal van het rechtshuis
waar de hele afdeling soldaten, ongeveer 500 man, was samengekomen.
15:17 En deden Hem een
purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die
op
“En zij trokken Hem
zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; ook vlochten zij
van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in
zijn rechterhand” Matteus 27:28-29. De soldaten trokken Jezus de
klederen uit en deden Hem een mantel om. Markus geeft aan dat het een
purperen mantel was, waar Matteus spreekt over een scharlaken mantel.
Mogelijk bevatte de mantel beide kleuren, die gedragen werden door
hooggeplaatste mensen. Ook deden ze Jezus een zelf gevlochten doornenkroon
om en gaven ze Hem een riet in Zijn rechterhand als scepter. Dit allemaal om
Hem te vernederen omdat Hij had gezegd dat Hij een Koning was.
15:18 En begonnen Hem
te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
Ze begonnen Hem te begroeten met de woorden ‘wees gegroet, Gij
Koning der Joden!’ Dit werd normaal gezien gedaan om een koning hulde te
brengen. Deze soldaten, ver van huis in bezet gebied, hanteerden een zeer
lage moraal. Het was heel sadistisch van hen om Jezus als een groot man voor
te stellen wetende aan welke wrede dood ze Hem niet veel later zouden
onderwerpen.
15:19 En sloegen Zijn
hoofd met een rietstok, en bespuwden Hem, en vallende op de knieën,
aanbaden Hem.
De soldaten gebruikten een rietstok om Jezus op Zijn hoofd te slaan. Bedenk
daarbij dat er een doornen kroon op Jezus’ hoofd was geplaatst en welke
pijnen de slagen van de rietstok veroorzaakten. Hun houding was zo
verachtelijk, ze gaven zich over aan minachting en haat door Jezus te
bespuwen en zogezegd te aanbidden als Koning. Er was geen greintje respect
of menslievendheid bij hun te vinden, zij hadden van hun harten een steen
gemaakt.
15:20 En toen zij Hem
bespot hadden, deden zij Hem de purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen
klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.
Toen ze het moe waren met het spelen van hun mensonterende spelletjes, namen
zij de mantel van Jezus en deden Hem terug zijn eigen klederen aan. Daarna
brachten ze Hem naar de plaats waar Hij zou worden gekruisigd, nl buiten de
stad (vgl Hebreeën 13:12).
15:21 En zij dwongen
een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van
Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.
“Toen gaf hij Hem aan
hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus, en Hij, zelf zijn
kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws
genaamd Golgota” Johannes 19:16-17. “Toen zij heengingen, troffen zij iemand uit Cyrene aan, Simon genaamd;
die presten zij om zijn kruis te dragen” Matteus 27:32. Op weg naar
Golgotha werd een voorbijganger genaamd Simon verplicht om Jezus’ kruis te
dragen. Wanneer zij het nodig achtten, had de bezetter het recht om burgers
onder dwang opdrachten te geven (vgl Matteus 5:41). Simon kwam van de akker
en werd gedwongen om het kruis te dragen, waarschijnlijk omdat de fysieke
geseling en de lange verhoren Jezus’ lichaam hadden uitgeput.
15:22
En zij brachten Hem naar de plaats Golgotha, dat is vertaald:
Schedelplaats.
Jezus werd naar Golgotha gebracht, hetgeen betekent ‘schedelplaats’ of
‘calvaria’ zoals Jerome in zijn Latijnse Vulgaat het woord heeft
vertaald. Er is een overlevering die zegt dat de plaats deze naam heeft
omdat de heuvel er zou uitzien als een schedel.
15:23 En zij gaven Hem
met mirre gemengde wijn te drinken, maar Hij nam die niet.
“en zij
gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinken. En toen Hij die proefde, wilde
Hij niet drinken” Matteus 27:34.
15:24
En toen zij Hem gekruisigd hadden,
verdeelden zij Zijn kleren: door het lot te werpen bepaalden zij wat
ieder ervan nemen zou.
“Toen
dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten
daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en zijn onderkleed. Dit
kleed nu was zonder naad, aan een stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander:
Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat
het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander
verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de
soldaten gedaan”
Johannes 19:23-24. Deze woorden zijn een vervulling van de profetie “Zij
verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad”
Psalm 22:18. De soldaten wierpen dobbelstenen om te bepalen wie welk stuk
kleed zou krijgen. Dit impliceert ook dat Jezus weinig tot geen klederen
droeg aan het kruis.
15:25
En het was het derde uur en zij kruisigden Hem.
Jezus werd gekruisigd op het derde uur (vgl Johannes 19:14). Kruisiging was
één van de gruwelijkste martelpraktijken van die tijd. Genageld aan een
kruis wachtte je je dood af. Jezus werd bovendien eerst mishandeld, geslagen
en bespuwd. De soldaten bleven waken aan het kruis zodat bekenden van de
gekruisigde hem niet zouden komen bevrijden.
15:26
En het opschrift met Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE
KONING VAN DE JODEN.
“En
Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was
geschreven: Jezus, de Nazoreeer, de Koning der Joden. Dit opschrift dan
lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht
bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het
Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De
Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven”
Johannes 19:20-22. Dit opschrift werd boven Jezus’ hoofd geplaatst
(Matteus 27:37.
15:27
En zij kruisigden met Hem twee misdadigers, een aan Zijn rechter- en een aan
Zijn linkerzijde.
“Toen
werden met Hem twee rovers gekruisigd”
Matteus 27:38a. Jezus’ kruis stond in het midden waardoor het tafereel
liet uitschijnen dat hij de ergste misdadiger was van de drie.
15:28
En het Schriftwoord is in vervulling gegaan dat zegt: En Hij is onder
de misdadigers gerekend.
Het Schriftwoord waar hier naar wordt verwezen in Jesaja 53:12. De gedachte
is dan ook dat Jezus zijn leven heeft geofferd voor de zonden van de wereld.
Zoals Paulus zegt “Hem,
die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”
2 Korintiërs 5:21. Jezus “die
zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan
de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn
striemen zijt gij genezen”
1 Petrus 2:24.
15:29
En de voorbijgangers lasterden Hem en schudden hun hoofd en zeiden:
Ha!
U die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,
De voorbijgangers, die in 3 talen het opschrift konden lezen, lasterden
Jezus terwijl Hij daar hing. Al schuddende met hun hoofden, verweten ze Hem
dat Hij wel de tempel kon afbreken en in drie dagenweer kon opbouwen. Maar
Zichzelf redden van het kruis, dat kon Hij blijkbaar niet! Ze maakten
Jezus’ Woorden belachelijk en verdraaiden ze (Johannes 2:19-20).
15:30
verlos Uzelf en kom van het kruis af!
“En
de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en
zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf,
indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!”
Matteus 27:39-40. Dit moet een grote beproeving zijn geweest voor Jezus. Hij
had de macht om Zichzelf te verlossen van het kruis. Maar Zijn begeerte was
niet om Zijn eigen wil te doen, maar de Wil van Zijn Vader (Johannes 5:30).
O, hoe hij hen een les had kunnen leren. Maar die gedachte zou aards,
ongeestelijk en duivels zijn. Het zou eigen gerechtigheid zijn. Dit was geen
optie voor Jezus. Zijn liefde voor God en de mens was groter dan Zijn liefde
voor Zichzelf (vgl Psalm 22:7-8).
15:31
En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden, onder
elkaar en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet
verlossen.
Met een boosaardige blijdschap spotten de Joodse leiders eveneens onder
elkaar: “Anderen
heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden”
Matteus 27:42. Zij hadden Jezus waar ze Hem wilden hebben, ze dachten dat ze
van hun probleem waren verlost en verlustigden nu in het onheil dat Hem
overkwam.
15:32
Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij
het zien en gaan geloven. Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden
Hem.
“Hij
is Israels Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem
geloven. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu
verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft; want Hij heeft gezegd:
Ik ben Gods Zoon. Op dezelfde wijze beschimpten Hem ook de rovers, die met
Hem gekruisigd waren”
Matteus 27:42-44. Er moet geen twijfel over bestaan, zelfs al zou Jezus van
het kruis zou zijn gekomen, dan zouden zij nog niet in Hem hebben geloofd.
Ze hadden al genoeg gezien waardoor zij hadden kunnen geloven. Jezus had ook
tegen hen gezegd “Wanneer
gij de Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en
niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd
heeft. En die Mij gezonden heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen
gelaten, want Ik doe altijd wat Hem behaagt”
Johannes 8:28-29 (vgl Johannes 10:24-26).
15:33
En toen het zesde uur gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde,
tot het negende uur toe.
“En
het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele
land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd”
Lukas 23:44-45. Het gehele land waar deze gebeurtenissen plaatsvonden werd
verduisterd. Konden de Joden die tekenen verlangden (1 Korintiërs 1:22),
nog meer willen zien dan deze totale zonsverduistering? “Hem,
die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij
zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”
2 Korintiërs 5:21. Christus, die zonder zonde was, werd tot zonde gemaakt
opdat wij kunnen behouden worden. “Daarom
zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit
verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de
overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de
overtreders gebeden heeft”Jesaja
53:12. Hij bracht het offer voor de zonde (Hebreeën 10:12) en het gehele
land werd met duisternis gevuld tot het negende uur. Het geeft weer hoe
ernstig de situatie was!
15:34
En op het negende uur, riep Jezus met grote stem, zeggende:
ELOÏ, ELOÏ, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn
God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?
Op het negende uur riep Jezus hardop “Mijn
God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”.
Deze woorden leren ons dat het bijzonder zwaar en moeilijk is geweest voor
Jezus om de zonde van de wereld te dragen. Het is een vervulling van de
woorden in Psalm 22:2 en geeft weer dat Jezus het lijden op Zich moest nemen
zoals de Vader het had beschikt (Handelingen 2:23). “Om
de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest”
Jesaja 53:8.
15:35
En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept
Elia.
Of ze het niet goed hadden gehoord of als ze met Hem aan het spotten waren
weten we niet. Maar hoe dan ook, ze zeiden dat Jezus Elia aan het roepen
was.
15:36
En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een
rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elía
komt, om Hem af te nemen.
“En
sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Hij roept Elia. En terstond
liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op
een riet en gaf Hem te drinken. Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien,
of Elia komt om Hem te redden”
Matteus 27:47-49. Johannes vertelt ons wat er hieraan vooraf ging: “En
bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder,
Maria van Klopas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus zijn moeder zag en de
discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder:
Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En
van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis. Hierna zeide Jezus,
daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou
worden: Mij dorst! Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een
spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn
mond. Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht!”
Johannes 19:25-30. Eerder had Jezus de wijn gemengd met mirre en gal
geweigerd (zie commentaar op Markus 15:23), maar nu drinkt Hij van de zure
wijn die zij Hem gaven. Sommige omstaanders waren benieuwd of Elia zou komen
om Hem van het kruis af te nemen.
15:37
En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf de geest.
“Jezus
riep wederom met luider stem en gaf de geest”
Matteus 27:50. “En
Hij boog het hoofd en gaf de geest”
Johannes 19:30b. “En
Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En
toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest”
Lukas 23:46. Het lichaam zonder de geest is dood (Jacobus 2:26) en dan keert
de geest terug naar zijn Schepper (Prediker 12:7). Jezus profetie is nu
vervuld wanneer Hij zei “Hierom
heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen.
Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het
af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader
ontvangen”
Johannes 10:17-18.
15:38
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot
beneden.
Achter het voorhangsel van de tempel bevond zich het heilige der heiligen
waar de hogepriester eenmaal per jaar binnen mocht gaan om verzoening te
doen voor de zonden (Leviticus 16). Dit voorhangsel scheurde in tweeën van
boven naar beneden. De offers die onder het oude verbond werden gebracht
waren niet bij machte waren om te volmaken. De oudtestamentische bepalingen
waren slechts door God opgelegd tot de tijd van herstel (vgl Hebreeën
10:9-10). Jezus is de middelaar van een nieuw verbond en opende de weg naar
de hemelse tabernakel. Zolang de eerste tent nog bestond, lag de weg naar
het heiligdom nog niet open (Hebreeën 9:7-8). De dood van Jezus opende de
weg naar het hemelse Jeruzalem in Gods aanwezigheid, daarom scheurde het
symbool dat scheiding bracht van de aardse tabernakel (lees Hebreeën
8:1-10:18). “En
zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeen,
en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele
lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven
na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad waar zij aan velen
verschenen”
Matteus 27:51-53.
15:39
En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende,
dat Hij alzo roepende de geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was
Gods Zoon!
“De
hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er
plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon
Gods”
Matteus 27:54. “Toen
de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende:
Inderdaad, deze mens was rechtvaardig! En al de scharen, die voor dit
schouwspel samengekomen waren, keerden terug toen zij aanschouwd hadden, wat
er geschied was, en sloegen zich op de borst”
Lukas 23:47-48. Deze wonderbaarlijke gebeurtenissen en onweerlegbare
bewijzen brachten de centurion tot de juiste conclusie, n.l. Jezus Christus
was waarlijk de Zoon Gods.
15:40
En er waren ook vrouwen,
van verre dit aanschouwende, onder wie ook was Maria Magdaléna, en
Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salóme;
Deze allen waren getuigen van Jezus’ dood en opstanding. Markus noemt
Maria die uit Magdala kwam, een vissersdorp aan de zee van Galilea (Lukas
8:2-3). Zij was één van de vrouwen die Jezus volgde en Hem diende.
Markus vermeldt ook Maria die de moeder was van ene Jakobus de kleine
en van Joses en Salome. De Schrift leert ons niet wie deze waren, maar zij
behoorden tot de trouwe discipelen van Jezus.
15:41
Die ook, toen Hij in Galiléa was, Hem waren gevolgd, en
Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar
Jeruzalem opgekomen waren.
“Al
zijn bekenden nu stonden van verre, ook vrouwen, die Hem van Galilea gevolgd
waren en dit aanzagen”
Lukas 23:49.
“En
daar waren vele vrouwen, die uit de verte toeschouwden, welke Jezus gevolgd
waren uit Galilea, om Hem te dienen. Tot dezen behoorden Maria van Magdala,
en Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder der zonen van
Zebedeus”
Matteus 27:55-56.
15:42
En toen het al avond geworden was, en omdat het de voorbereiding op
het Pascha was, dat is de voorsabbat,
Het was ondertussen al avond geworden en de dag voor sabbat, een dag waarop
het verboden was om te werken. Daarom troffen de Israelieten alle
voorbereidingen voor de sabbat op voorhand. Hun huizen en maaltijden werden
voorbereid om op de sabbat te kunnen feesten. “De
Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het
kruis mochten blijven (want de dag van die sabbat was groot) vroegen
Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden”
Johannes 19:31.
15:43
kwam Jozef van Arimathea, een aanzienlijk raadsheer, die zelf ook het
Koninkrijk van God verwachtte, en waagde het om bij Pilatus naar binnen te
gaan en om het lichaam van Jezus te vragen.
“Toen
het nu avond geworden was, kwam een rijk man van Arimatea, genaamd Jozef,
die eveneens een discipel van Jezus geworden was”
Matteus 27:57. “En
zie, een man, genaamd Jozef, die raadsheer was, een goed en rechtvaardig man
(deze had niet ingestemd met hun raad en bedrijf), van Arimatea, een stad
der Joden, die het Koninkrijk Gods verwachtte”
Lukas 23:50-51. “En
daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het
verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te
mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam
weg”
Johannes 19:38. Deze Jozef van Arimathea was een raadsheer die niet akkoord
was gegaan met de beslissing van de Joodse Raad om Jezus te doden. Hij
waagde het om anders te zijn door naar Pilatus te gaan om hem om het lichaam
van Jezus te vragen. Dat was zeer moedig van hem, wetende hoe zijn
bloeddorstige tijdsgenoten dachten over Jezus. Ook zou dit hem in diskrediet
kunnen brengen bij zijn vrienden en kennissen gezien hij aanzien had, maar
Jozef geloofde het evangelie van het Koninkrijk dat Jezus predikte en
handelde ernaar (Matteus 4:23; Markus 1:14-15; 9:1).
15:44
En Pilatus verwonderde zich erover dat Hij al gestorven was; en nadat hij de
hoofdman over honderd bij zich geroepen had, vroeg hij hem of Hij allang
gestorven was.
Pilatus was verbaasd dat Jezus al gestorven zou zijn en vroeg aan de
hoofdman of Hij al enige tijd was gestorven. Men zegt dat een kruisiging
soms wel 2 tot 3 dagen kon duren voordat men stierf. De hoofdman kon Pilatus
bevestigen als Jezus inderdaad al dood was.
15:45
En toen hij het van de hoofdman over honderd vernomen had, schonk hij Jozef
het lichaam.
Nadat Pilatus de bevestiging had gekregen van de hoofdman dat Jezus
inderdaad dood was, gaf hij het lichaam vrij om aan Jozef te geven. De
hoofdman was immers verantwoordelijk voor de soldaten die bij het kruis
stonden.
15:46
En deze kocht fijn linnen en nadat hij Hem van het kruis afgenomen had,
wikkelde hij Hem in dat fijne linnen
en legde Hem in een graf dat in een rots uitgehakt was; en hij
wentelde een steen voor de ingang van het graf.
“En
Jozef nam het lichaam en wikkelde het in zuiver linnen, en hij legde het in
zijn nieuw graf, dat hij in de rots had laten uithouwen, en na een grote
steen voor de ingang van het graf te hebben gewenteld, ging hij heen”
Matteus 27:59-60. “En
na het te hebben afgenomen, wikkelde hij het in linnen en legde Hem in een
rotsgraf, waarin nog nooit iemand gelegd was”
Lukas 23:53. “En
ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en
hij bracht een mengsel mede van mirre en aloe, ongeveer honderd pond. Zij
namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de
specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven. En er was
ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf,
waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neder wegens
de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was”
Johannes 19:39-42.
Het Joodse gebruik was om het lijk van een gehangene niet gedurende de nacht
aan de paal te laten hangen, maar om het dezelfde dag nog te begraven
(Deuteronomium 21:22-23). We zien in de Schrift dat doden gelijk werden
begraven (Johannes 11:1-39; Handelingen 5:1-11). We zien dat het lichaam
soms werd gewassen (Handelingen 9:36-37), en gezalfd (Johannes 12:7). Zo
werd Jezus’ lichaam dan door Jozef en Nicodemus behandeld met dure
specerijen, in linnen gewikkeld en vervolgens in het graf gelegd dat van
Jozef was. Een grote steen werd voor het graf gerold.
15:47
En Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, zagen waar Hij gelegd
werd.
“En
daar waren Maria van Magdala en de andere Maria, gezeten tegenover het graf”
Matteus 27:61. De vrouwen, die ook discipelen van Jezus waren en Hem gevolgd
waren, zagen waar Jezus werd begraven. Deze moedige en diepgelovige vrouwen
bleven trouw aan de Here, zelfs in deze moeilijke tijden. Waar waren de
andere discipelen op dit moment? “En
het was de dag der voorbereiding en de sabbat brak aan. En
de vrouwen, die met Hem uit Galilea gekomen waren, volgden en zij bezagen
het graf en hoe zijn lichaam gelegd werd; en toen zij teruggekeerd waren,
maakten zij specerijen en mirre gereed. En op de sabbat rustten zij naar het
gebod”
Lukas 23:54-56.
16:1
En
toen de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria,
de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen gekocht, opdat zij kwamen en
Hem zalfden.
“Laat
na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Maria van
Magdala en de andere Maria het graf bezien”
Matteus 28:1. “En
op de sabbat rustten zij naar het gebod, maar op de eerste dag der week
gingen zij reeds vroeg in de morgenstond met de specerijen, die zij
gereedgemaakt hadden, naar het graf”
Lukas 23:56-24:21. Jozef en Nikodemus hadden Jezus’ lichaam reeds
gewikkeld in linnen en gebalsemd, maar nu keren de vrouwen op de eerste dag
van week terug naar het graf met specerijen. Dit doet ons vermoeden dat de
balseming op vrijdag eerder haastig is gebeurd en dat de vrouwen het nu
wilden afwerken of dat ze misschien een andere reden hadden om Jezus te
komen balsemen.
16:2 En
zeer vroeg op de eerste dag der week, kwamen zij tot het graf, toen de zon
opging
Johannes
vertelt ons dat één van de vrouwen Maria van Magdela was die naar het graf
ging terwijl het nog donker was (Johannes 20:1). Tegen dat ze bij het graf
kwamen, ging de zon op.
16:3 En
zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen van de deur van het graf
afwentelen?
Nog niet gekeken hebbende naar het graf, vroegen ze zich af wie de steen
voor het graf zou afwentelen. Pilatus had immers de Joodse leiders de
toestemming gegeven om het graf te verzegelen naar hun beste vermogen omdat
ze vreesden dat Jezus’ volgelingen het lichaam zouden komen wegnemen
(Matteus 27:62-66).
16:4
(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer
groot.
“En
zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de
hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich
daarop. Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.
En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden”
Matteus 28:2-4. Deze aardbeving had plaatsgevonden nog voordat de vrouwen
bij het graf waren gekomen. Wanneer ze dan bij het graf kwamen opkeken naar
het graf kwamen ze tot de ontdekking dat de steen was weggerold. Zo groot
was de steen.
16:5
En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter
rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.
Het lijkt erop dat de andere vrouwen het graf binnengingen en dat Maria naar
Petrus en Johannes was gegaan. De andere vrouwen zagen een jonge man zitten
met een lang wit kleed en verbaasden zich daarover. “Zij
vonden de steen van het graf afgewenteld, en toen zij er ingegaan waren,
vonden zij het lichaam van de Here Jezus niet. En het geschiedde, terwijl
zij daarvoor in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend
gewaad bij haar stonden”
Lukas 24:2-4. Markus maakt maar melding van één engel, maar Lukas leert
ons dat er twee aanwezig waren.
16:6
Maar hij zeide tot hen:
Weest niet verbaasd; gij zoekt Jezus de Nazaréner, Die gekruisigd
was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd
hadden.
“En
toen zij zeer verschrikt werden en haar aangezicht ter aarde neigden, zeiden
dezen tot haar: Wat zoekt gij de levende bij de doden? Hij is hier niet,
maar Hij is opgewekt. Herinnert u, hoe Hij, toen Hij nog in Galilea was, tot
u gesproken heeft,
zeggend, dat de Zoon des mensen moest overgeleverd worden in de
handen van zondige mensen en gekruisigd worden en ten derden dage opstaan.
En zij herinnerden zich zijn woorden”
Lukas 24:5-8. Ze waren niet alleen verbaasd maar ook verschrikt door hetgeen
zij zagen. De engel stelt hen gerust en laat hen weten dat ze in het juiste
graf waren. “Doch
de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want
ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde”
Matteus 28:5. Dit was de plaats waar Jezus was gelegd. Maar Hij was er niet
omdat Hij was opgewekt. De engel herinnert hen aan de we woorden van Jezus
die Hij tot hen had gesproken dat Hij moest worden gekruisigd en dat Hij op
de derde dag zou opstaan.
16:7
Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u
voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien,
gelijk Hij u gezegd heeft.
De engel beveelt hen dat om aan Jezus’ discipelen en in het bijzonder
tegen Petrus, te zeggen dat Hij hen voorgaat naar Galilea. Daar zouden ze
Hem zien zoals Hij gezegd heeft. Jezus had immers gezegd “Maar
nadat Ik zal opgewekt zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea”
Markus 14:28. Het was op deze woorden dat Petrus hoogmoedig had gezegd “Al
zouden allen aanstoot aan U nemen, ik zeker niet!”
Markus 14:29. We kunnen begrijpen hoe vertroostend deze woorden voor Petrus
moeten zijn geweest als hij van de vrouwen hoorde dat Hij Jezus terug zou
zien. Petrus moest weten dat Jezus leefde!
16:8
En zij, haastig uitgegaan zijnde, vluchtten van het graf, en beving
en ontzetting had hen bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren
bevreesd.
De vrouwen waren danig onder de indruk van wat er had plaatsgevonden en ze
vluchtten weg van het graf. Ze waren bang en buiten zichzelf en durfden
niemand iets te zeggen. “En
zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en
liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten”
Matteus 28:8. Johannes vertelt ons dat Maria van Magdela zich naar Petrus en
Johannes had gehaast nadat ze het open graf had gezien, omdat ze dacht dat
iemand het lichaam had weggenomen (Johannes 20:2).
16:9
En toen Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op de eerste dag der week,
verscheen Hij
eerst aan Maria Magdaléna,
uit wie Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
Opnieuw maakt Markus duidelijk dat Jezus vroeg in de ochtend van de eerste
dag van de week was opgestaan. Maria van Magdala was de eerste aan wie Hij
verscheen. Maria was ondertussen terug naar het graf gekomen waar ze aan het
wenen was. Zie Johannes 20:3-17 wat er toen gebeurde.
16:10
Deze, heengaande, boodschapte het hun, die met Hem geweest waren, die
treurden en weenden.
“Maria
van
Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien
en dat Hij haar dit gezegd had”
Johannes 20:18. Nadat Jezus aan Maria was verschenen ging zij heen om de
discipelen te vertellen dat zij Hem had gezien. De discipelen waren aan het
treuren en het wenen vanwege de grote verwarring en onzekerheid van de
afgelopen dagen.
16:11
En toen dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij
het niet.
Hun wanhoop moet groot zijn geweest, want hoewel Jezus hen had voorzegd dat
dit zou gaan gebeuren, toch geloofden ze het niet. “En
deze woorden schenen hun zotteklap en zij geloofden haar niet”
Lukas 24:11.
16:12
En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen,
daar zij wandelden, en in het veld gingen.
Lukas 24:13-32 leert ons dat Jezus verscheen aan 2 discipelen die op weg
waren naar het dorp Emmaus. Zij herkenden Jezus niet. Markus vertelt ons dat
Jezus Zichzelf aan hen openbaarde in een ander gedaante. In hun gesprek met
Jezus over de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, zeggen ze Hem “Maar
ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de
vroegte bij het graf geweest en hadden zijn lichaam niet gevonden en zijn
toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden,
die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan
en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hem hebben
zij niet gezien” Lukas 13:22-24. Het is pas later op de avond dat
ze Jezus herkennen, waarna Hij uit hun midden verdween (Lukas 14:31).
16:13
Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden
ook die niet.
“En
zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden
de elven en die bij hen waren, vergaderd” Lukas 24:33. De apostelen
geloofden eerder al niet wat de vrouwen hen zeiden en nu willen ze het
getuigenis van deze twee discipelen ook niet geloven.
16:14
Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun
hun ongelovigheid en hardheid des harten, omdat zij hen niet geloofd hadden,
die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.
Het is niet duidelijk of Markus spreekt over de eerste keer dat Jezus aan de
apostelen verscheen of over de tweede keer. De term ‘de elven’ of ‘de
twaalf’ betekent niet noodzakelijk dat alle apostelen aanwezig waren.
Johannes vertelt ons b.v. dat Thomas er de eerste keer niet bij was
(Johannes 20:19-29). De discipelen worstelden enorm met ongeloof ondanks de
verschillende getuigenissen die ze hoorden. Sommige apostelen geloofden
blijkbaar wel dat Jezus was opgestaan, maar verkeerden toch in grote
onzekerheid. Toen de Emmaus-gangers bij hen kwamen zeiden de apostelen
hen“De
Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen. En zij verhaalden wat
onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het
brood. En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; en zij
werden ontzet en verschrikt en meenden een geest te aanschouwen. Doch Hij
zeide tot hen: Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op
in uw hart?” Lukas 24:34-38. Dat hun gemoed een emotionele warboel
was, blijkt uit Jezus’ woorden wanneer Hij hen vraagt waarom ze
overwegingen van ongeloof toelaten in hun harten. Markus vertelt ons dat Hij
hun hun ongelovigheid verweet. Ze hadden de getuigenissen moeten geloven!
Ongeloof leidde tot een verwerping van de waarheid. “Ziet
mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een
geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. En bij dit
woord toonde Hij hun zijn handen en voeten. En toen zij het van blijdschap
nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier
iets te eten?
Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. En Hij nam het en
at het voor hun ogen” Lukas 24:39-43. De Joodse Raad had
ondertussen de leugen verspreid dat Jezus ‘ discipelen Zijn lichaam hadden
gestolen (Matteus 28:11-15).
16:15
En Hij zeide tot hen:
Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle
kreaturen.
De verschijningen en gesprekken van Jezus duurden 40 dagen (Handelingen 1:3;
1Korintiërs 15:5). Het Grote Zendingsbevel werd eerst gegeven op een berg
in Galilea (Matteus 28:16-20) en werd nog eens bevestigd op de Olijfberg
waar de ten hemel opneming plaatsvond (Lukas 24:44-51; Handelingen 1:8-12).
Bij het begin van de bediening van de apostelen had Jezus hen een beperkt
zendingsbevel gegeven om enkel naar de verloren schapen van Israel te gaan
(Matteus 10:6,23). Nu zegt Hij hen om in de hele wereld te gaan en om het
evangelie aan iedereen te verkondigen.
16:16
Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden;
maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
De boodschap van het evangelie is duidelijk. Geloof in het offer van Jezus
(1 Korintiërs 15:1-5) en een doop tot vergeving van zonden (Handelingen
2:38) leiden tot behoudenis van de ziel. Dit geloof komt er door het horen
van het Woord van Christus (Romeinen 10:17), daarom dat Jezus Zijn getuigen
in de wereld stuurt. Hoewel geloof en doop noodzakelijk zijn, is het ook
nodig om zich te bekeren van zijn zonden (Lukas 24:47) en Jezus’ Naam te
belijden om behouden te worden (Romeinen 10:9). Daarna is het nodig om de
leer van Christus te blijven onderhouden (Matteus 28:19). De opdracht
spreekt dus niet alleen over wat iemand moet doen om behouden te worden,
maar ook wat nodig is om behouden te blijven. Zij die niet geloven in dit
evangelie zullen voor eeuwig verloren gaan.
Jezus had eerder gezegd dat Zijn bloed vergoten werd tot vergeving van
zonden (Matteus 26:28), en op gelijke wijze leerden de apostelen een
evangelie van bekering en doop tot vergeving van zonden (Handelingen 2:38;
22:16). De bijbel leert nergens dat geloof alleen redt, noch dat dopen
alleen redt, noch dat horen alleen redt, noch dat bekeren alleen redt, noch
dat belijden alleen redt, noch dat … . Het is triest dat het evangelie van
de Schrift door zo goed als alle denominaties wordt verworpen en dat zij een
evangelie leren waardoor zij zichzelf vervloeken (Galaten 1:6-10). Net zoals
Noach door het water heen werd gered, redt ons vandaag de dag de doop (1
Petrus 3:20-21). Schaam u niet voor Gods evangelie, het is de kracht van God
om een ieder die gelooft te behouden (Romeinen 1:16).
16:17
En hen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen:
in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen;
met nieuwe tongen zullen zij spreken.
Hoewel velen op de oordeelsdag zullen beweren op gezag van Jezus te hebben
gehandeld, zal Jezus hen verwerpen omdat ze zich niet hebben gehouden aan
Zijn wet (Matteus 7:21-23). Tijdens het Beperkte Zendingsbevel gaf Jezus
Zijn apostelen de macht om zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen
te reinigen en boze geesten uit te drijven (Matteus 10:8). Ook de zeventig
kregen deze macht van Jezus (Lukas 10:17-19). Bij het Grote Zendingsbevel
zegt Jezus dat de volgende tekenen de gelovigen zullen volgen. Zij zullen de
macht krijgen van Jezus om duivelen uit te drijven en om in nieuwe tongen te
spreken. Deze nieuwe tongen is de gave om een bestaande vreemde taal te
spreken zonder dat ze die kenden of hadden geleerd (vgl Handelingen 2:4-11).
Deze tongen waren een teken voor de ongelovigen (1 Korintiërs 14:22).
16:18
Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen
drinken, dat zal hun niet schaden;
op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.
Net als bij de zeventig, zegt Jezus ook nu dat noch slangen, noch een
dodelijke drank hen zou kunnen schaden. Toen Paulus op het eiland Malta was,
werd hij gebeten door een slang maar het deed hem niets (Handelingen
28:1-6). Ook zouden zij de handen op zieken kunnen leggen en mensen genezen.
Het is duidelijk dat de apostelen deze gaven bezaten (Handelingen 5:12-16)
en ook andere discipelen van Jezus (Handelingen 8:5-8). Toch leert het
voorbeeld van Filippus ons dat hij, hoewel hij zelf deze macht kon
uitoefenen, hij niet over de mogelijkheid bezat om deze gaven van de Heilige
Geest door te geven aan andere mensen. Daartoe moesten de apostelen komen om
de handen op te leggen om deze gaven te geven aan de christenen (Handelingen
8:13-18; Romeinen 1:11; 2 Timoteus 1:6). Dus het gehoorzamen van het
reddende evangelie resulteerde niet automatisch in het bezitten van al deze
gaven. In 1 Korintiërs 12-14 spreekt Paulus over deze gaven en merk op dat
hij zegt “En
God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten
tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van
genezing, bekwaamheid
om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen. Zijn zij
soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten?
Hebben soms allen gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen?
Vertolken zij soms allen?” 1 Korintiërs 12:28-30.
16:19
De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had,
is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechter hand Gods.
Nadat Jezus hen had gesproken werd Hij opgenomen in de hemel waar Hij zit
aan de rechterhand van God. Daar oefent Hij alle macht uit, zowel in de
hemel als op de aarde (Matteus 28:18). Handelingen 2:25-36 leert ons dat Hij
op de troon zit. Paulus zegt “Want
evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend
gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling,
vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer
Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle
heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als
koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.
De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, …” 1
Korintiërs 15:22-26.
16:20
En zij,
uitgegaan zijnde, predikten overal, en
de Heere werkte mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop
volgden. Amen.
Nadat Jezus in de hemel werd opgenomen werd op de pinksterdag de
belofte van de Geest uitgestort (Handelingen 1-2) en begonnen de apostelen
aan hun opdracht om het evangelie aan de ganse schepping te prediken. Een
opdracht waarvan Paulus reeds in de eerste eeuw zegt dat de prediking van de
waarheid in de gehele wereld vrucht draagt en in de ganse schepping is
verkondigd (Kolossenzen 1:6,23). Terwijl zij dit woord predikten werkte de
Here mee met hen en bevestigde Hij het Woord van Zijn boodschappers door de
tekenen die daarop volgden (vgl Hebreeën 2:1-4). Markus begon zijn boek met
de woorden “Begin
van het evangelie van Jezus Christus” (Markus 1:1) en sluit zijn
boek met “Amen”,
hetgeen betekent ‘het zij zo’.
Menu
|
| |